Laatste wijziging: 2 september 2010
Ga naar de beginpagina  Chat Emailgroepen Zoeken op de website  Verstuur een e-mail  Bekijk de site in een printer-geschikte layout  Links Sitemap
 
Zingeving in de realiteit, Suzanne Otter
Coaching fietstocht naar Santiago
Slechte bazen kosten handen vol geld!!
Artikelen Marijke van den Berg
Artikelen Carla Vredeveld
Artikelen Enrico Kraijo
Artikelen Hubert Rampersad
Artikelen Luuc Christiaanse
Artikelen Joop van Oers
Burnout, depressie of.... osas?
Burnin-enquête Frank Schaper
Geen tijd voor Burnout, Frank Schaper
BO: harde les voor loyale werkers!
Gedichten



‘Geen tijd voor burnout’, Frank Schaper

In februari/maart 2003 hield ik op burnin.nl een enquête naar het verband tussen burnout, karakter en levensfase. Velen onder u hebben meegedaan, waaronder 403 mensen met een burnout-ervaring. De kwantitatieve resultaten heb ik in mei-juli gepubliceerd op burnin.nl, zie resultaten burnin-enquête 2003. Een van de vele eye-openers was het feit dat januari de maand is met de meeste beginnende burnouts (18%). December is met 6 % als het ware ‘de stilte voor de storm’. De onderzoeksresultaten met illustraties heb ik verwerkt in mijn boek ‘Geen tijd voor burnout’ (vanaf 22 december in de boekhandel, ISBN 9055943142, uitgever Scriptum).
Dit is een voorpublicatie van het boek, met dezelfde structuur: een introductie en zeven bedrijven, relaterend aan zeven levensfasen. Ik onthul niet het gehele boek (295 bladzijden). Maar ik geef u in acht wekelijkse afleveringen graag een impressie van diverse thema’s die naast de onderzoeksresultaten aan bod komen. Jeugdherinneringen – verslaving - overeenkomsten tussen opbranden en anorexia - de keuze van het lichaam tussen burnout en hartaanval - waarom mannen later opbranden dan vrouwen. In het boek gebruik ik als voorbeeld bekende personen zoals Leontien van Moorsel, Katja Schuurman en Karin Bloemen. De rode draad in het boek is Joop van den Ende, die zijn leven een andere wending gaf na zijn burnout op zijn 58ste.
Karakter vormt een belangrijke bijdrage aan een burnout. Mijn enquête bevatte een vragenlijst van het Enneagram, een populaire typologie met negen persoonlijkheidstypes. Dezelfde lijst is opgenomen in ‘Geen tijd voor burnout’, zodat u uw eigen scores kunt vergelijken met de enquête-uitkomsten. Elk type kan opbranden, maar vijf van deze types lopen extra risico: de Perfectionist (type Een), de Helper (type Twee), de Waarnemer (type Vijf), de Loyalist (type Zes) en de Vredestichter (type Negen). Mijn visie op het Enneagram heb ik met co-auteur Azwin Ressang beschreven in mijn eerste boek Het team in jezelf (zie de sectie ‘Boeken’ van deze site en op www.teaminjezelf.nl).
Wilt u reageren, heeft u andere vragen heeft of wilt u informatie over persoonlijke coaching, workshops of lezingen, klik op Frank Schaper.

Frank Schaper, schrijver, personal coach, december 2003

Kijk ook op de website van Frank Schaper.

Onderwerpen (© 2003 - 2004, Frank Schaper).
Geen tijd voor burnout, afl. 8. nawoord en verantwoording enquête (2-1-2004)
Geen tijd voor burnout, afl. 7. zestigers, gelukkiger na burnout? (29-12-2003)
Geen tijd voor burnout, afl. 6. vijftigers, waarschuwingssignalen (26-12-2003)
Geen tijd voor burnout, afl. 5. veertigers, burnout of hartaanval? (23-12-2003)
Geen tijd voor burnout, afl. 4, dertigers, verslaving, 40 jaar (19-12-2003)
Geen tijd voor burnout, afl. 3. twintigers, anorexia, perfectionisme (16-12-2003)
Geen tijd voor burnout, afl. 2. jeugd, predispositie, stotteren, faalangst, Pfeiffer (11-12-2003)
Geen tijd voor burnout, afl. 1. introductie, levensfasen en karakter (8-12-2003)



  Geen tijd voor burnout, afl. 8. nawoord en verantwoording enquête

Het zevende bedrijf is een bijzondere levensfase, de fase waarin opbranden een definitief karakter heeft, maar het staat nergens in de statistieken als burnout geregistreerd. Toch gaat bij ieder mens het heilige vuur een keer uit. Dat moment stellen wij het liefst zo lang mogelijk uit. Bernard Lievegoed, zelf 86 geworden, laat in zijn boek ‘De levensloop van een mens’ de ouderdom pas bij 65 beginnen.
Zou ‘opbranden’ echt iets van deze tijd zijn, omdat ene Freudenberger er toevallig in 1974 het label ‘burnout’ aan heeft gehangen? Welnee. Opbranden is van alle tijden. De levensfasen die ik heb beschreven en Perfectionisten, Helpers, Waarnemers, Loyalisten en Vredestichters zijn er altijd geweest. De biologische verschillen tussen man en vrouw zijn er ook altijd geweest; alleen de rollen en rolopvattingen zijn aan verandering onderhevig geweest. De waarschuwingssignalen bij uitputting zijn ook niet veranderd. De keuze van het lichaam voor een hartaanval of opbranden is ook nog steeds dezelfde, net als de aanleidingen voor een extreme stressreactie.
Ik denk dat burnouts altijd hebben bestaan en dat persoonlijkheid en levensfase daar altijd een grote rol in hebben gespeeld. Wij hebben de neiging telkens dezelfde dingen te ‘ontdekken’, simpelweg omdat wij ze zelf nog niet eerder hebben meegemaakt. Met burnout hebben we een eeuwenoud syndroom herontdekt: uitputting.
Marcus werd geboren in het jaar 121. Zijn vader Marcus Annius Verus stierf jong, in het jaar dat hij praetor was, toen Marcus nog maar drie jaar oud was. Als kind had hij een slechte gezondheid, was ernstig en in zichzelf gekeerd. Hij werd opgevoed door zijn grootvader, Annius Verus. In zijn eerste versie van Persoonlijke Notities noemde Marcus zijn tekenleraar, Diognetus, die zozeer zijn belangstelling voor de filosofie had gewekt, dat hij op twaalfjarige leeftijd als filosoof wilde leven en op de grond ging slapen. Alleen de bezorgdheid van zijn moeder voorkwam een al te grote ascese. Keizer Hadrianus, zelf kinderloos, zorgde ervoor dat Marcus, met wie hij grote plannen had, op zijn zeventiende werd geadopteerd door Titus Aurelius Antoninus, zijn eigen adoptiefzoon. Vanaf het overlijden van Hadrianus, in 138, raakte het leven van Marcus Aurelius in een stroomversnelling die hem keizer van het Romeinse Rijk maakte.
Marcus was gevoelig en uiterst plichtgetrouw, streefde oprecht naar het goede, was streng en zeer kritisch op zichzelf, werd vaak geplaagd door zelfverwijt en gevoelens van tekortschieten, zo blijkt uit zijn Persoonlijke Notities (1994). Een groot deel van zijn leven bestond uit vechten tegen de vijanden van zijn imperium. Zijn gezondheidsklachten lijken rechtstreeks ontleend aan de top 50 van burnout-waarschuwingssignalen: vermoeidheid, maagklachten, niet kunnen ontspannen, duizeligheid, een chronische maagzweer. Uit zijn aantekeningen blijkt hoe hij in feite in twee werelden leefde. De wereld van hof en legerkamp, met verplichtingen die hem zorgen en ergernis baarden, en zijn andere wereld, die van de filosofie, waarin hij zich werkelijk thuis voelde. Hij leefde niet alleen als een werkverslaafde, hij was op latere leeftijd ook verslaafd aan theriac, een opium-houdend medicijn dat diende als slaapmiddel en pijnstiller.
Uiteindelijk vond hij innerlijke rust door zich terug te trekken in zijn eigen ziel (p. 15). De laatste vijf dagen voor zijn dood wees hij alle voedsel en drinken af. De dood stelde niets voor, zei hij. ‘Waarom huilen jullie om mij in plaats van je druk te maken over de pestepidemie, die talloze slachtoffers maakt?’ Na deze woorden zakte hij weer terug, ‘volledig uitgeput.’ Zijn zoon Commodus bezocht hem nog, maar hij stuurde zijn zoon weg, bang hem te besmetten. Marcus Aurelius was een van de weinige Romeinse keizers die stierf in zijn bed – dus niet door de hand van Commodus, zoals de Hollywoodfilm Gladiator wil. ‘Hij was volledig opgebrand.’ (Keizers sterven niet in bed, Fik Meijer, 2001, p. 85). Een maand voordat hij 59 zou worden, overleed hij op dezelfde leeftijd als de kinderloze keizer Hadrianus, die hem tot zijn erfgenaam had gemaakt. De zoon van Marcus was achttien jaar toen zijn vader stierf op zijn 58e.

Verantwoording Enquête burnin.nl 2003
Ik heb nog nooit een onderzoek gezien waar niets op aan te merken viel. Mijn eigen enquête is bepaald geen uitzondering. Ik wil mij graag verantwoorden met betrekking tot het meest voor de hand liggende kritiekpunt. Hoe representatief is mijn enquête, uitgevoerd op internet? Eerst de nadelen. Het aantal vrouwelijke internetgebruikers is bijvoorbeeld geen 50 %, maar 44,2 procent (NRC Handelsblad, 24 juni 2003). Dit is derhalve niet exact representatief. Bovendien is niet bekend of vrouwen met burnout meer of juist minder geneigd zijn dan mannen om een enquête op internet in te vullen.
Er zijn nog meer nadelen. Bij een anoniem onderzoek via internet kun je ook niet achteraf aan iemand een aantal aanvullende vragen stellen. De mensen die de lijst invullen zijn wellicht niet representatief voor de mensen die wel de website bezoeken maar de vragenlijst negeren. Het aantal burnouts van mensen boven de 55 jaar zal in werkelijkheid hoger zijn dan mijn resultaten doen vermoeden, omdat in die leeftijdscategorie internet nog geen gemeengoed is. Wellicht zijn ook bepaalde Enneatypes meer of minder genegen om een enquête zoals deze in te vullen. Als de Waarnemer (type Vijf) zich bijvoorbeeld extra prettig voelt achter een computer is dit type wellicht oververtegenwoordigd, terwijl de Romanticus (type Vier) misschien juist is ondervertegenwoordigd als dat type een afkeer van computers zou hebben. Ik kan over al deze nadelen gemakkelijk speculeren of zelfs een correctie bedenken, maar bij elk punt kon ik net zoveel argumenten bedenken voor een correctie naar de ene kant als naar de andere kant. Daarom heb ik u in dit boek ongecorrigeerde resultaten getoond.
Kortom: het is niet moeilijk om van mijn onderzoek een groot aantal nadelen op te sommen. Neemt u derhalve geen afstand van uw scepsis. Mijn probleem is echter dat ik alle onderzoeken die ik tot nu toe over burnout heb gelezen, van forse kritische kanttekeningen kan voorzien. Elk onderzoek kent per definitie zijn eigen beperkingen, keuzes, afrondingen, inschattingen, vooronderstellingen, doelgroepselectie en berekeningsmethode. Hiermee zeg ik niet dat elk onderzoek even goed (of even slecht) is als het andere, maar dat elk voordeel automatisch nadelen met zich meebrengt. Ik heb een aantal nadelen geschetst van mijn enquête, laat ik ook een aantal voordelen noemen.

Het eerste voordeel van mijn enquête op de burnin.nl-website was het enorme en gegarandeerd willekeurige bereik onder de relevante doelgroep: mensen met een burnout-ervaring. De respons overtrof mijn verwachting en maakte tal van unieke detailstudies mogelijk. Een tweede voordeel was absolute anonimiteit, noodzakelijk voor een zo groot mogelijke openheid. Een respondent schreef: ‘Het blijkt een aangename ervaring te zijn om me er anoniem over te uiten.’ Een derde voordeel van internet was de zeer lage drempel om de lijst in te vullen. Een vierde voordeel was de snelle verwerking van de resultaten en de mogelijkheid van snelle feedback. Al binnen enige weken na afloop van de enquête stond mijn eerste rapportage op burnin.nl. Daarna volgde elke week, zeven weken lang, een nieuwe aflevering. Verschillende respondenten gingen in op mijn uitnodiging om aanvullend of kritisch commentaar te geven. Ik ontving vrijwel uitsluitend instemmend commentaar: men herkende zich in de resultaten en was blij op deze wijze gehoord te zijn. Dat dit boek reeds in december 2003 gepubliceerd wordt, terwijl het onderzoek pas in februari-maart van ditzelfde jaar is gehouden, is mede te danken aan het moderne medium internet.
Zelf denk ik dat mijn resultaten redelijk representatief zijn voor de realiteit. Helaas beschik ik niet over vergelijkbare cijfers waarmee ik dit kan staven. Dat gemis was juist de reden om zelf onderzoek te doen. Ik vermoedde een samenhang tussen burnout, karakter en levensfaseproblematiek, maar zocht vergeefs naar bruikbare, gedetailleerde statistieken. Boeken, zoals Vermoeide helden, en artikelen, zoals Dertig en al opgebrand (Intermediair, 9 november 2000) bespreken slechts losse voorbeelden. De vele onderzoeken naar vermoeidheid en stress focussen niet op leeftijd. Ook de cijfers van het CBS waren voor mij onbruikbaar. Het CBS berekent of verzamelt niet het aantal werkelijke burnouts, maar het percentage mensen dat op een deelgebied van burnout-klachten (emotionele uitputting) boven een bepaalde normwaarde scoort. Het verschil tussen een hoge score en een burnout is te vergelijken met het verschil tussen een rijdende auto die bijna geen benzine meer heeft – de benzinewijzer staat ver in het rood – en een auto die daadwerkelijk stilstaat – de benzine is op. Het CBS meet in die analogie auto’s met de wijzer in het rood, mijn enquête concentreerde zich op de auto’s langs de kant van de weg: de echte burnout-gevallen. Een ander probleem van de CBS-cijfers is de grote wisselvalligheid van de cijfers over de jaren 1999-2001. Er is nog een derde probleem, althans vanuit mijn optiek bekeken. Het CBS toont vijf intervallen van elk tien leeftijdsjaren, beginnend bij 15 en eindigend bij 64 jaar. Een piek bij 28 jaar valt daardoor weg in het interval 25-34, een piek bij mannen van 40 blijft onopgemerkt in de categorie 35-44 jaar. Mij ging het juist om de exacte pieken.

Samengevat merk ik op dat mijn onderzoek zeker niet zaligmakend is, maar bij gebrek aan vergelijkbaar onderzoek een aantal blinde vlekken heeft blootgelegd, die nader onderzoek verdienen.

 
Terug naar onderwerpen



  Geen tijd voor burnout, afl. 7. zestigers, gelukkiger na burnout?

‘Nu heb ik een goed beeld van wie ik ben.’ (PM). Joops burnout dwong hem te ontdekken wat de Romeinse keizer Marcus Aurelius bijna tweeduizend jaar geleden al had opgeschreven: ‘Graaf in je binnenste. Daar is de bron van het goede’ (Persoonlijke Notities, p. 15). ‘Na die burnout ben ik tot de conclusie gekomen dat het niet naar is om met mij te praten.’ (RD). ‘Dat ik géén klootzak ben. Ik schaam me minder voor mezelf, het is niet naar om met mij te praten.’ (VM). Als ‘vader’ Joop gaf hij een compliment aan de ‘zoon’ Joop, die altijd zo zijn best had gedaan. ‘Als ik terugkijk, heb ik momenten dat ik denk: godverdorie, Joop, je hebt het best goed gedaan allemaal.’ (VN)
Marcus Aurelius: ‘Nergens kan een mens zich rustiger en ongestoorder terugtrekken dan in zijn eigen ziel, vooral als hij in zijn binnenste zulke vaste overtuigingen heeft dat hij, zodra hij zich daarin verdiept, zich meteen volkomen gerust voelt.’ Tot het moment van zijn burnout was Joops vaste overtuigingen: ik doe het niet goed allemaal. Daardoor had elk detail een negatieve lading, voelde hij zich gekrenkt door kritiek. Hij interpreteerde dat als bevestiging van een negatief zelfbeeld: zie je wel, ik doe het niet goed, ik ben niet goed. Nooit had hij de tijd genomen om te reflecteren of zijn zelfbeeld eigenlijk wel klopte. Geen tijd. Nimmer had hij zich afgezonderd.
Marcus Aurelius: ‘Die afzondering moet je jezelf steeds gunnen, en zo jezelf vernieuwen.’ Met het besef dat hij het best goed had gedaan allemaal had Joop een waardevolle waarheid over zichzelf ontdekt. Marcus Aurelius: ‘Bondige en elementaire waarheden moeten het zijn, die, zodra ze in je opkomen, in staat zijn alle zorgen van je af te spoelen en je, bevrijd van je ergernis, weer terug te sturen naar je dagelijks leven.’ Bevrijd van zijn ergernis stond Joop na zijn burnout aan een nieuw begin van een levensfase die een hem nieuwe hoogtepunten bracht. Hij was daadwerkelijk herboren – een ander mens. Uit mijn enquête op burnin.nl blijkt dat Van den Ende behoort tot de 41 % van de mannen die nu gelukkiger zijn dan voor hun burnout. 10% is even gelukkig, 12% vindt zich even ongelukkig en 33% is ongelukkiger (4% vulde de vraag niet in).Van de vrouwen met burnout is 47% nu gelukkiger, 12% is even gelukkig, 11% vindt zich even ongelukkig en 23% is ongelukkiger (7% vulde de vraag niet in).

De depressieve neuroot
‘Ik had de laatste tien jaar zuiniger om moeten gaan met mijn lichaam,’ zou Joop later zeggen (de Volkskrant, 18 maart 2000). In juni 2000, kort na zijn vertrek bij Endemol, formuleerde Joop van den Ende op zijn 58e zijn gevoelens: ‘De loftuitingen afgelopen weekeinde bij mijn afscheidsreceptie hebben mij goed gedaan. Dat zeg ik eerlijk. Nog steeds ben ik bang dat ik veel dingen niet goed doe. [...] Als ik geen plannen meer kan maken, mijn blocnootje vol mag schrijven met ideeën en begrotinkjes, dan leef ik niet. Mijn vrouw begrijpt dat – gelukkig. [...] Ik ga dit bedrijf stevig uitbouwen, maar het hoeft niet het grootste ter wereld te worden. En dat zou ik bij de start van Endemol echt nooit hebben gezegd. Ik heb al een prachtig bedrijf opgebouwd. Maar nog steeds heb ik het gevoel dat ik wat te bewijzen heb. Totaal neurotisch gedrag! Ik heb zelfs, ondanks mijn huidige vermogen, nog steeds de angst in armoede te vervallen. Weer terug te moeten naar die armzalige jeugd vol onbetaalde rekeningen.’ (V)
Waarom kon hij niet tevreden zijn? Wat had hij nog te bewijzen? Aan wie? Waar kwam dat neurotische gedrag vandaan? Waarom was hij nog steeds bang veel dingen niet goed te doen? Hoe was dat gevoel te verklaren dat hij nog aan het begin stond? Zeventien maanden later was hij er nog niet helemaal uit. Tegen Pieter Webeling zei hij in oktober 2001: ‘Nog altijd heb ik die neurotische werkdrift. Zeven musicals tegelijk, weetjewel. Waarom toch, waarom?’ [...] ‘Ik hunkerde naar erkenning. Ook bij mijn familie. Vol trots heb ik mijn oudere zus mijn nieuwe bedrijf laten zien. ‘Blijft dat nou allemaal,’ zegt ze, ‘kun je dat wel betalen, gaat dat niet voorbij?’ Achter haar zie ik de schim van mijn vader. Misschien laat ik mijn succes vooral aan hem zien.’ (VM) Joop was inmiddels een belangrijke mijlpaal gepasseerd: hij was 59 jaar oud geworden, een jaar ouder dan zijn vader was geworden. Die was overleden op zijn 58ste, toen Joop 18 was. Door zijn burnout kon hij vrede sluiten met tal van herinneringen. Daarna begon hij een nieuw leven met een nieuwe ‘familie’, met wie hij zich onder meer concentreerde op het maken van musicals: Stage Holding. Thans is hij 61 jaar.

65
‘Er werden altijd andere, betere, nieuwe prestaties van me verwacht. Bovendien verleg ik zelf graag mijn grenzen. Vroeger werd ik vooral gedreven door ambitie. Maar eigenlijk heb ik nu alles wel zo’n beetje gedaan op het gebied van zingen en acteren. Dus doe ik alleen nog wat ik leuk vind.’ (Plus Magazine, februari 2002). In 2002 gaf de 64-jarige Jasperina de Jong gestalte aan de legendarische Duitse diva Marlene Dietrich: ‘Ik ben toch ook een vedette? Eigenlijk vind ik dat in Nederland niemand anders die rol moest spelen. Het kan me niks schelen als mensen dat onbescheiden vinden. Het is gewoon zo.’ De theaterdiva Jasperina, het rolmodel van Karin Bloemen, werd beroemd met haar onewomanshow. Jaar in jaar uit werden er nieuwe theaterprogramma’s gemaakt, maar na het overlijden van haar man moest zij na haar vijftigste een tijdje rust nemen. ‘Ze was het, heel begrijpelijk, even moe,’ zegt haar eigen website (‘even moe’, overwerkt of burnout?). Ze kwam sterk terug. Jasperina vindt zichzelf een dapper mens, altijd geweest. ‘Ik deed vaak werk waarvan ik van tevoren niet wist of ik het wel kon.’ Gelukkig heeft ze altijd mensen in haar omgeving die haar helpen en steunen. ‘Dat zijn de ijkpunten, maar uiteindelijk sta ik er altijd alleen voor en beslis ik altijd alles zelf. Dat is zwaar. En soms best zielig.’ (Plus Magazine)
Op haar 32e begon ze aan een reeks onewomanshows en daarmee aan haar Derde Bedrijf. De eerste heette gewoon De Jasperina Show (1970) en werd opgevolgd door Jasperina’s grote egotrip (1972). Op haar 58e begon ze aan een nieuw bedrijf in haar leven: haar Zesde. ‘Toen ze een keer wat gedichten voor ging lezen voor een volle zaal, voelde ze opeens de prikkel om weer te gaan optreden.’ (www.jasperina.net). Haar eerste programma heette Morgenster (1994). ‘Mijn hele carrière vind ik zingen het verrukkelijkste dat er is. Er is niets heerlijkers dan een goede tekst op goede muziek goed over te brengen op een publiek.’ De musical over Dietrich betekende voor Jasperina een afscheid van grote shows, maar: ‘Ik sluit zeker niet uit dat ik nog kleine projecten ga doen. Ach, het leven wordt alleen maar leuker. Nog leuker dan het al is.’ (Plus Magazine, februari 2002) . In 2003 is zij 65 geworden.

 
Terug naar onderwerpen



  Geen tijd voor burnout, afl. 6. vijftigers, waarschuwingssignalen

In dit Vijfde Bedrijf geef ik een top 15 van mogelijke aanleidingen van een burnout. Opvallend daarbij is dat vier vrouwelijke respondenten ook de menopauze noemden als onderdeel van hun klachten, als aanleiding of in hun toelichting. Dit is de overgang die veroorzaakt wordt door het verlies van oestrogeen- en progesteronproducerende cellen in de eierstokken. Een vrouw van 41 dacht dat ze misschien in de menopauze zat en dat dit mede haar klachten zou verklaren (vermoeidheid, hoofdpijn, door astma vaak ziek van rook, lusteloos, neerslachtig, wisselingen in stemming, geprikkeldheid, concentratieverlies, vergeetachtigheid, piekeren, terugtrekken). Haar arts dacht ‘dat het niet kon’. Een andere vrouw had op haar 42e een burnout gehad en maakte naast klachten als faalangst, eenzaamheid en isolement melding van de overgang. Een 44-jarige vrouw had een groot aantal klachten en schreef in de toelichting: ‘Ik zit tevens in de overgang, dus ik weet niet precies wat daar allemaal bij hoort.’ De vierde vrouw keek op haar 48e terug op haar burnout die een jaar eerder was begonnen. Zij beschreef de volgende gezondheidsklachten: vermoeidheid, zowel lichamelijk als psychisch, depressieve gevoelens, overgangsverschijnselen. Het lijkt erop dat de symptomen van burnout en menopauze elkaar kunnen overlappen of versterken. Dat lijkt mij ook logisch, gezien de veranderingen in hormoonspiegels en lichamelijke gesteldheid, wetende hoe stressreacties en immuunsysteem via hormonen op elkaar inwerken.
De menopauze is een universele eigenschap van de menselijke veroudering, schrijven Robert Ricklefs en Caleb Finch in Ouder worden, over de biologie van veroudering (1997, de Wetenschappelijke Bibliotheek, Natuur en Techniek, p. 36-37). Recent onderzoek leidde hen naar een intrigerende conclusie: ‘Over het algemeen reguleren hormonen allerlei aspecten van de ontwikkeling bij de meeste meercellige planten en dieren. In veel gevallen hebben dezelfde hormonen die de rijping en reproductie reguleren ook invloed op de manier waarop we ouder worden.’ Voor een treffend voorbeeld wijzen ze op een bepaalde zalmsoort, die doodgaat wanneer de concentratie corticosteroïden in het bloed stijgt. Hoge costicosteroïden in het bloed zijn ook verantwoordelijk voor het snel oud worden van de mannelijke buidelmuis. ‘Vrouwelijke zoogdieren maken een kenmerkende hormonale verandering door rond de menopauze. Temidden van de verouderingspatronen is de menselijke menopauze – het verloren gaan van het vrouwelijke voortplantingsvermogen tussen het 45e en 55e levensjaar – mogelijk het meest raadselachtige aspect van de veroudering’. Temeer ook, zeggen Ricklefs en Finch, ‘omdat mannen geen vergelijkbare post-reproductieve periode kennen.’
In Geen tijd voor burnout leg ik de koppeling tussen dit fenomeen en burnout. De penopauze is thema V. Wat gaat er in de mannen om in deze levensfase? Ik zal laten zien dat deze vraag ook al in 1938 werd gesteld, met verbluffende overeenkomsten. Het is geen toeval dat het aantal burnouts bij mannen piekt tussen 45 en 55 jaar, het moment waarop velen een uitgestelde midlifecrisis beleven, en ervaren dat zij niet meer het lichaam van een dertiger hebben. Die gevoelens worden niet in eerste instantie veroorzaakt door hun hormoonspiegel, zoals bij de mannelijke buidelmuis. Volgens mij hangt het vooral samen met het visualiseren van de eigen levensloop, de tijdsbalk. In de biografische dag van de gemiddelde man met een levensverwachting van 75 jaar begint de zon merkbaar te dalen als hij 50 jaar is (vier uur in de middag) en raakt de zon de horizon als hij 56 jaar is (zes uur). De penopauze maakt hem melancholiek, nostalgisch en kwetsbaar voor chronische stress. Sombere gedachten beïnvloeden de hormoonspiegel en stressgevoelens, die op hun beurt dat gedachtenpatroon versterken (of tegengaan). Vooral bij mannen die verslaafd zijn aan stress, aan hun werk of aan een andere ‘drug’. Het neergaande proces wordt versterkt met elk jaar dat verstrijkt. Hoe langer een man heeft vastgehouden aan zijn levensstijl, hoe harder de confrontatie met de onontkoombare eindigheid daarvan. Met alle uitputtings-, depressie- en afkickverschijnselen vandien. Lievegoed constateert dat het 56e jaar bij haast alle onderzoekingen steeds weer terugkomt als de start van een nieuwe fase: ‘Het is alsof alle levenswaarden nog een keer existentieel doorleefd moeten worden (De levensloop van de mens, p. 83).
Het enige boek – bij mijn weten – dat uitvoerig een directe relatie beschrijft tussen levensfasen en opbranden heet Vermoeide helden (1993). De ondertitel luidt: Vijftigers en de prijs van het heilige moeten. De focus ligt op de tweede levenshelft van mannen. Weliswaar ontbreekt in het boek het woord burnout (toen nog niet in zwang in Nederland), maar equivalenten als ‘opgebrand’ en ‘uitgeblust’ worden vaak genoemd. Het is geschreven door de Nederlandse psychotherapeut A.P.K. van Eekeren – zijn initialen kunnen geen toeval zijn. Zijn doelgroep bestond uit psychologen, psychotherapeuten, psychiaters en andere artsen. Het is onbekend bij het brede publiek. Oorspronkelijk was het verschenen als proefschrift (Utrecht, 1991). Bij tien voorbeelden van zes mannelijke veertigers en vier vijftigers heeft Van Eekeren de leeftijden vermeld: 46, 47, 48 (drie personen), 49, 51, 53 (twee personen) en 56. Maar een cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Mijn enquête geeft de statistische bevestiging dat Van Eekeren tien jaar geleden terecht de aandacht vestigde op deze leefstijdsgroep.

55
Het is 1993 als Joop van den Ende, 51, John de Mol, 38, belt om over samenwerking te praten. Hun bedrijven fuseren, maar de bundeling roept ook weerstand op. De beursgang van Endemol in 1996 brengt een geheel nieuwe vorm van werkdruk: beursbureaucratie, commissarissen, aandeelhouders. De waarschuwingssignalen van oplopende spanning nemen toe, maar Joop is zich niet bewust van het proces dat hem vanbinnen besluipt. Joop moet dringend de balans opmaken van zijn leven, maar het vergt een burnout om zijn agenda daarvoor schoon te vegen.
‘Ouder worden vind ik niet leuk. Nee! Ik vind het moeilijk mijn beperkingen te accepteren, de pijntjes...’ (PM). In maart 1999 – zes maanden verwijderd van de start van zijn burnout – wist hij nog niet wat hem te wachten stond. Een obligate, schuldbewuste opmerking kenmerkte de werkverslaafde: ‘Ik werk per dag zeker twaalf uur. In de weekenden natuurlijk ook, in verband met het theater. In de avonduren doe ik veel post, bereid vergaderingen voor en lees stukken door. Al met al zo’n 80 uur per week... dat is niet gezond hoor.’ De bijbehorende goede voornemens waren al even obligaat: ‘Ik probeer het ook terug te brengen, want je moet ook wat tijd hebben om na te denken over het leven en te genieten.’ Maar Joop had helemaal geen tijd. Nooit. Verslaafd is nu eenmaal verslaafd. ‘Ik neem me nu al gedurende vele jaren voor toch maar wat meer vakantie en vrije tijd te nemen en af en toe lukt dat wel een maand.’ (W)
Aan sociale steun had het Joop niet ontbroken. Zijn vrouw Janine wees hem er wel op, en ook zijn maatje John de Mol drukte hem geregeld op het hart beter om zichzelf te denken (VN01). Maar dat was hetzelfde als een verslaafde op het hart drukken dat hij moet afkicken. In Stage Three kan hij dat niet zelf – een interventie is dan noodzakelijk. Joop, 57, was af en toe somber. ‘Kijk, ik mag niet klagen over wat ik heb bereikt, maar ik denk dat ik een aantal dingen beter had kunnen doen […] en minder fouten had kunnen maken [...] Ik heb zelf niet zo’n hoge pet op van hoever ik gekomen ben.’ (W). Joop werd 55 in 1997. De beursgang van Endemol lag net achter hem. Op zijn weg naar burnout – en zijn vertrek bij Endemol – passeerde Joop vervolgens minstens achttien signalen uit de top 50 (Enquête burnin.nl 2003). Een groot deel van die signalen realiseerde hij zich pas achteraf, na zijn burnout, getuige acht interviews waaruit ik hieronder citeer.
  Vermoeidheid (nr. 1) Steeds vaker was Joop ‘doodmoe’ (VM). ‘Als ik ’s avonds thuiskwam, moest ik mezelf echt de trap op hijsen. Zo moe, zo kapot.’ (VN01)
  Prikkelbaar (nr. 3) De eerste duidelijke signalen van een gedragsverandering als gevolg van stress en vermoeidheid werden merkbaar in 1998, ruim een jaar voor de burnout. Hij was vaker geïrriteerd. Veel ruzie ook, ‘overal, met iedereen’. (VN01)
  Onrustig, opgejaagd (nr. 9) ‘Werkdagen van zestien, achttien uur, zeven keer per week. En altijd die druk, die verantwoordelijkheid. Want het moet af. Je had het toch beloofd? Aan je werknemers, aan de beurs, aan jezelf.’ (VN01) ‘Ik heb me zo druk gemaakt, ik heb zo hard gewerkt.’ (PM) ‘Als ik terugdenk aan mijn sociale contacten in die tijd: ik heb asociaal geleefd. Overal was ik, maar het was altijd vluchtig, vluchtig, vluchtig.’ (S)
  Spierpijnen (nr. 10) ‘Hij klaagde over spierpijn.’ (Aad van den Heuvel, de Volkskrant,18 maart 2000)
  Angsten (nr. 11) ‘Praten ging prima, zodra ik een lijstje met actiepunten voor me zag, werd ik doodsbenauwd. Verplichtingen verdroeg ik niet meer.’ (S)
  Vergeetachtig (nr. 12) ‘Hij kon niets onthouden.’ (programmamaker Aad van den Heuvel, de Volkskrant,18 maart 2000)
  Emotioneel (nr. 13) Joop van den Ende was altijd al iemand die emotioneel kon zijn. Ooit zei hij dat huilen de mooiste emotie is (S). In 1995 zei Joop tegen Hugo Camps: ‘Vanmorgen werd de eerste Surpriseshow opgenomen. Ik was er bij en heb als een kind staan huilen. Zoals ik eens tijdens een etentje met Connie Palmen zat te huilen. Niet alleen over Ischa, elke zin die Connie uitsprak ging over mijn leven.’ (E95) Emotionaliteit en huilen kunnen ook waarschuwingssignalen zijn van stress.
  Tegenzin in werk (nr. 18) De televisiewereld ging hem in toenemende mate tegenstaan. Hij stoorde zich aan het beleid. ‘Het moest steeds goedkoper; als het maar scoorde.’ (PM). Joop werd ook moe van het knokken, het moeten, het roeien tegen de stroom in, elke dag weer. ‘Potverdomme, stónd je daar weer met je koffertje bij de zoveelste omroepdirecteur. Moest je weer iedereen naar de bek lullen om jouw programmaatje te verkopen. Nooit een schouderklopje, nooit eens een aardigheidje, nooit blij met succes [...] Bijna niemand heeft ooit beseft: geef Joop twee complimentjes en hij loopt drie keer zo hard voor je.’ (VM)
  Onzeker (nr. 22) ‘Heel geleidelijk gaat de grond onder je voeten scheuren. Je begint te twijfelen aan jezelf, aan je beslissingen. Was dat programma dat ik net had verkocht nou wel zo goed? Dat had ik nooit eerder gehad.’ (VN)
  Woedeaanvallen (nr. 23) Woede-uitbarstingen had Joop altijd al gehad. Henny Huisman herinnerde zich: ‘Ik ben erbij geweest dat Joop bij vergaderingen woede-uitbarstingen kreeg. Nou, dat was wat. Met die grote gebaren en die harde stem.’ (Nieuwe Revu). Maar de laatste tijd kwamen ze sneller en had hij ze minder goed onder controle. Joop: ‘In vergaderingen was ik snel aangebrand, snel kwaad.’ (VM). Thuis was er nog wel enig begrip voor. ‘Maar in een beursgenoteerd bedrijf kan zoiets natuurlijk niet.’ (VN)
  Zweten (nr. 26) ‘Bij de gedachte aan Hilversum brak het zweet uit op dat grote voorhoofd van hem.’ (Aad van den Heuvel, de Volkskrant, 18 maart 2000)
  Niets meer ‘af’ krijgen (nr. 28) ‘Ik moest per dag zo veel voor elkaar krijgen... Dingen voor elkaar krijgen was een taak op zich geworden.’ (PM)
  Cynisme (nr. 35) In 1995 had Joop een sombere verwachting uitgesproken: ‘We zitten straks met drie, vier spelers op de markt die geld willen verdienen. Gevolg: meer pulp en goedkope spullen [...] Televisie wordt er de komende jaren niet mooier op.’ (E95) Een maand voor zijn burnout in oktober 1999 constateerde hij dat zijn verwachting was uitgekomen. Hij had een strategische bedoeling met een publieke verwijzing naar de overvloed aan platte, commerciële programma’s. Joop bedoelde het niet cynisch, maar zo werd het wel opgevat, omdat het meeste amusement uit zijn eigen Endemol-studio’s kwam. De oorsprong van zijn uitspraken lag echter in zijn frustratie dat de commerciële tv in tien jaar tijd niet was geworden wat hij bij aanvang zo vurig had gehoopt – en met TV10 zelf al precies in zijn hoofd had gehad. ‘Als ik de balans opmaak, kan ik niet positief zijn.’ Zijn programma’s en artiesten werden ‘meegesleurd in een inhoudelijk totaal oninteressante omgeving’. De commerciële zenders, stelde hij, beperken zich te veel tot ‘amusement en grofheden’. (de Volkskrant, 18 maart 2000)
  Misselijk (nr. 38) ‘Misselijk van de moeheid.’ (S)
  Hartkloppingen (nr. 14), Hoofdpijn (nr. 8), Trillen (nr. 41) Uiteindelijk barstte de bom, en moest zijn chauffeur hem op weg naar een afspraak halsoverkop naar huis rijden. Benauwd. Hartkloppingen. Knallende koppijn. Rillerig. (VN01)
  Hoge bloeddruk (nr. 37) ‘Ik had een krankzinnig hoge bloeddruk.’ (VN01)
Joop kon niet meer. ‘Ook lichamelijk was ik op.’ (PM) ‘En het gekke was: de dag nadat ik had besloten te stoppen met televisie, bleek mijn bloeddruk op slag weer perfect.’ (VN01)
De laatste scène van Joops Vijfde Bedrijf is zijn emotionele afscheid van zijn mensen, zijn Endemol-familie in Aalsmeer. Het is 16 maart 2000, Joop van den Ende is al een half jaar opgebrand en vraagt zich op zijn 58e vertwijfeld af of hij ooit nog de oude zal worden.

De feministe
De Turkse Özden Kutluer werkte ooit 60 uur per week als directeur van een vrouwenvakschool in Amsterdam, naast het bekleden van tal van bestuursfuncties. Ze was een begrip als voorvechtster van de Turkse gemeenschap. In de jaren tachtig stond ze aan de wieg van de eerste organisatie van allochtone vrouwen. ‘Iedere keer dat vrouwen mij vertelden dat ik hun leven had veranderd, gaf mij dat de kracht verder te gaan.’ Twee keer was ze in haar leven de regie over haar leven kwijtgeraakt, vertelde ze in OPZIJ (december 2001). Toen ze trouwde en op het moment dat haar moeder ongeneeslijk ziek werd. In Turkije behoorde ze tot de gegoede middenklasse. ‘Hier was ik ineens niets meer. Ik werd gereduceerd tot een naamloos, klein, buitenlands vrouwtje. Ik was niet eens Turks of Marokkaans! Ik was een faceless and nameless mens. Ik was vreselijk boos op mijn man. Elke ochtend als hij naar zijn werk ging, voelde dat voor mij als verraad. Hij liet mij achter.’ Ze kreeg twee kinderen. Haar moeder, inmiddels weduwe, kwam naar Nederland om haar bij te staan. Toen haar moeder een herseninfarct kreeg, gaf ze haar baan op. Haar moeder opvrolijken werd het doel in haar leven. Twee jaar heeft ze nog geleefd. ‘Na haar begrafenis begon ik pas te voelen wat ik van mijn lichaam en geest had geëist.’ Ze werd depressief. Mensen vroegen haar hoe zij het zo lang had volgehouden. Maar zij was voor mij allang niet meer mijn moeder, maar mijn beste vriendin.’ Natuurlijk weet ze dat ze zichzelf heel lang heeft weggecijferd, zegt ze.
Ze was burnout en moest flink gas terug nemen. Op haar 55e deed ze nog wel vrijwilligerswerk. ‘Ik heb niet meer de behoefte om op de voorgrond te treden. De keerzijde daarvan is namelijk afgunst en jaloezie van anderen. Elk mens wil erkenning en waardering, dan is constant kritiek krijgen niet leuk.’ En dat was wel haar lot geweest tot op dat moment. ‘Het begon al op school; ik hekelde de superioriteit van de jongens en verzette me tegen de meisjesrol. Jongens pestten me en door de meisjes werd ik genegeerd, want als ze met mij zouden spelen, wisten ze dat ze last met de jongens kregen. In plaats van solidair met me te zijn, wezen ze me af. Dat is een vast patroon in mijn leven geworden. Overal waar ik was, was ik tegendraads of een pionier, omdat ik niets in het leven als een gegeven accepteer.’ Dat heeft haar bijna haar huwelijk, een aantal vrienden en veel ellende gekost, zei ze. ‘Dat is een van de oorzaken van de moeheid die ik nu voel.’ Ze voelt dat ze nu deel uitmaakt van de laatste generatie. ‘Dat dit de laatste fase van mijn leven is. Ik ben niemands dochter meer.’ En over de verbetering van de positie van vrouwen in al die jaren is ze maar een beetje tevreden. ‘Het schiet niet op en daarvan word ik nijdig.’ Özden Kutluer is nu 57.

De komiek
Toen Kees van Kooten burnout raakte, deed Wim de Bie die dag in z’n eentje de hele uitzending. Bij Kees was de accu leeg – het licht ging uit. ‘Ik was burnout, heb twee weken lang gehuild. Dokter aan mijn bed, het was helemaal op. In dertig jaar had ik nog nooit verzuimd en opeens was het over en uit.’ Hij had er erg tegenop gezien om het tegen Wim te zeggen, want hij had het gevoel hem in de steek te laten. ‘Maar ik had een groeiende weerzin gekregen tegen televisie en ik leed er onder dat we minder goed werden, we hadden alle typetjes al een keer gedaan en zo goed, dat kon alleen maar minder worden.’ Het zouden alleen nog maar slappe aftreksels worden, zei Kees in OPZIJ (maart 2001), ‘De oertypes hadden we al gehad.’
Angst heeft altijd een centrale rol gespeeld in het leven van Kees van Kooten (62 jaar in 2003). Net als Joop van den Ende is hij geboren in de oorlog. ‘De eerste vier jaar van mijn leven, dat was doodsangst, oorlog in Den Haag, ik voelde dat als kind. Toen kwam de school, de angst het niet te halen, straf te krijgen, woensdagsmiddags te moeten terugkomen, een jaar te moeten overdoen, de verkeerde kleren aan te hebben, te lang in een plusfour te lopen terwijl de andere jongens al een lange broek aanhadden, de middelbare school nog erger, militaire dienst, waar je zomaar een weekend moest binnenblijven, nooit was ik vrij van angst. Waarvoor ik bang was? Mijn ouders teleur te stellen en in mijn vrijheid beknot te worden.’ En toen kwam de liefde. ‘Weer een gebied met allerlei angsten omgeven.’ Een treffender beschrijving van een fobische Zes, Enneatype de Loyalist, heb ik zelden gelezen. ‘You name it en het was wel een angst van mij.’ Kees was verslaafd aan angst.
Ook in zijn werk, dat door iedereen in Nederland werd beschouwd als de absolute top in het genre, was Kees onzeker. ‘Ik was altijd bang dat het programma niet vol kwam, dat het niet leuk zou zijn, dat de mensen niet zouden lachen, vreselijk.’ De praktijk, volgens Van Kooten, is dat Wim de Bie de televisie niet kan missen en dat hij zelf dat medium niet meer kan luchten of zien. Toen hij uiteindelijk de beslissing had genomen om te stoppen, moest hij nog vijf uitzendingen maken. ‘Dat lukte, omdat ik wist dat het daarna afgelopen zou zijn. Je kent je eigen inhoudsmaat niet van tevoren, je weet niet hoeveel energie je hebt en dus ook niet hoe lang je kunt doorgaan.’ Terugkijkend op zijn burnout, zei hij: ‘Het was op en ik heb nooit een oude komiek willen worden. Je moet er niet aan denken dat de netmanager je komt vertellen: nou heren, bedankt en de groeten, u kunt gaan.’ Pas nu hij ouder wordt en hij ook veel bewezen heeft, neemt de onzekerheid af. ‘Ik weet langzamerhand heel goed wat ik kan en wat ik waard ben. Dat geeft rust.’ Maar een slechte kritiek in de krant blijft altijd lullig, blijft veel langer hangen dan tien goede, zei hij.

 
Terug naar onderwerpen



  Geen tijd voor burnout, afl. 5. veertigers, burnout of hartaanval?

Vrouwen beleven de periode rond de veertig als een midlifefase, en lopen daarmee een paar jaar voor op de mannen, die dit veeleer rond de 45 ervaren. Biologisch betekenen deze jaren volgens Lievegoed het begin van de afnemende levenskracht, en voor de man is het een fase van verhoogde seksuele behoeften die door de vrouw meestal niet begrepen wordt. Psychisch betekent dit decennium een fase van twijfel, desoriëntatie en de neiging tot illusoire oplossingen, met kortstondige perioden van geluksgevoel. Lievegoed: ‘Geestelijk betekenen deze jaren een worsteling met de leegte.’ (De levensloop van de mens, p. 73). Managementtrainer (en arts/hoogleraar) Theo Compernolle schreef een boek over stress, op verzoek van vele managers aan wie hij training had gegeven en die hij persoonlijk had begeleid: Stress, vriend en vijand! (2002). Over ouder worden en de midlifecrisis schrijft hij dat hij hier in workshops veel vragen over krijgt. Ze zijn dikwijls van groot persoonlijk belang voor de vragensteller. ‘Deze vragen worden gesteld door managers die zich, soms zonder het zich bewust te zijn, in het oog van de midlifecycloon bevinden, of die zich geen raad weten met de crisis van een medewerker.’
De midlifecrisis van een medewerker kan volgens Compernolle niet alleen heel wat stress veroorzaken voor het bedrijf of de afdeling als geheel, maar ook heel persoonlijk bij collega’s van dezelfde leeftijd. ‘Het kan zelfs bij hen eenzelfde soort crisis uitlokken.’ Ongeveer driekwart van de kaderleden maakt een midlifecrisis door, zegt Compernolle. ‘De kern van deze crisis is de botsing tussen onze verwachtingen en de realiteit, tussen onze dromen en onze realisaties (p. 172). De Enquête burnin.nl 2003 ondersteunt zijn stelling. Het aantal burnouts piekt bij mannen bij 45 en 47 jaar zoals het ook heeft gedaan bij de 40. Voor mannen dient zich bovendien een nieuwe vraag aan: leidt de chronische stress tot een burnout of tot een hartaanval?

Burnout of hartaanval? Tweesprong
Stress speelt een belangrijke rol bij zowel burnout als hartklachten. Niet voor niets kunnen hartkloppingen of hoge bloeddruk ook waarschuwingssignalen van een aanstaande burnout zijn. Niet zelden vermoedt het burnout-slachtoffer aan de hand van acute symptomen een hartaanval. De fysiologische processen, de stresshormonen, de bloedbaan, het zenuwstelsel en de psychische fight-or-flightmechanismen zijn vergelijkbaar. Kan informatie over hartfalen relevant zijn om burnout beter te begrijpen (en vice versa)? Ja.
Hartklachten houden vaak verband met stress en stemmingen. Steeds vaker toont onderzoek die verbanden aan. Medisch psycholoog Johan Denollet, van de Tilburgse Katholieke Universiteit, concludeerde dat vooral patiënten met het persoonlijkheidstype D (D van distressed) een verhoogd risico hadden op een nieuwe hartaanval. ‘Deze mensen zijn geneigd veel te piekeren, zich zorgen te maken en alles zwart in te zien. Eveneens zijn ze vaak geremd, gesloten, en zien de sociale omgeving als een bedreiging en kunnen slecht tegen kritiek. Deze patiënten lopen een even groot risico een nieuwe hartaanval te krijgen als patiënten van wie de pompfunctie van het hart is verminderd.’ Hij droeg een aantal mogelijke verklaringen aan. Directe effecten: emoties blijken het zenuwstelsel en het immuunsysteem te beïnvloeden. Storingen in het zenuwstelsel kunnen leiden tot hartritmestoornissen. Storingen in het immuunsysteem kunnen ontstekingen in de kransslagader veroorzaken. Indirect: type D-mensen eten door stress slecht, nemen minder medicatie en roken meer (tilburgresearch, juni 2003).
De link tussen immuunsysteem en hartziekte was ook gevonden door Finse artsen. Zij toonden aan dat het risico op een hartinfarct verhoogd was bij mensen die aan een auto-immuunziekte en/of aan ontstekingen leden en/of veel afweerstoffen tegen een bepaalde bacterie in hun bloed hadden. De onderzoekers hadden 4081 mannen van middelbare leeftijd met een verhoogd cholesterolgehalte ruim acht jaar gevolgd. 241 (6%) van hen kregen last van hun hart (NRC, 18 mei 2003). De link tussen stress, persoonlijkheid en hart is op zich al interessant. De link tussen hart en immuunsysteem ook. Maar de cirkel is rond als we de bevindingen van Sternberg en Gold, de burnout-literatuur en de verbanden uit de Enquête burnin.nl 2003 erbij betrekken. Ik zet ze voor u in een logische volgorde:

  • Een lichaam dat stress ervaart, reageert daarop met een door de hersenen gestuurde stressreactie, in combinatie met een respons van het decentrale immuunsysteem. Tussen deze systemen bestaat een intensieve wisselwerking Hierbij is sprake van zowel lichamelijke symptomen als stemmings- en gedragsveranderingen (Sternberg/Gold).
  • Chronische (werk-)stress is een van de primaire oorzaken van burnout (burnout-literatuur).
  • Stress verhoogt de kans op hartfalen aanzienlijk (diverse bronnen);
  • Bepaalde persoonlijkheidstypen met specifieke karaktertrekken lopen een hoger risico op hartkwalen; bijvoorbeeld type D (Denollet).
  • Bepaalde persoonlijkheidstypen met specifieke karaktertrekken lopen een hoger risico op burnout, met name Enneatypes Een, Twee, Vijf, Zes en Negen (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper).
  • Burnout kan gepaard gaan met depressieve gevoelens (burnout-literatuur en enquête).
  • Psychotherapie van depressieve hartpatiënten verlaagt de kans op een tweede hartaanval (Amerikaans en Nederlands onderzoek).
Stress is dus een van de belangrijkste oorzaken van zowel hartfalen als burnout. Na een langdurige periode van chronische stress en toenemende vermoeidheid komt het lichaam voor een keuze te staan. Een angstbeeld of traumatische gebeurtenis kan de ‘druppel’ vormen en zo het proces in gang zetten. Het lichaam moet namelijk met een stressreactie daarop reageren, in combinatie met een immuunrespons. Ik denk dat het lichaam zich de volgende vraag stelt als een bepaalde levensstrategie in een ongezonde situatie te lang wordt volgehouden, ondanks de afgegeven waarschuwingssignalen: hoe moet ik ingrijpen om erger te voorkomen? Het lichaam vraagt zich bovendien af: wat is mijn zwakste plek? Op dat moment staat het lichaam op een tweesprong: burnout of hartaanval? Als de keuze valt op het hart, bestaat het risico dat een overmatige stressreactie erger is dan de kwaal. Eenderde van het aantal eerste hartinfarcten is dodelijk. Dit percentage loopt op bij volgende infarcten.
Bovenstaande vraag is hoogst opportuun in het Vierde Bedrijf. 103 mannen in de leeftijdscategorie 35-39 jaar overleden in 2001 aan een fatale hartaanval. In de categorie 40-44 jaar bedroeg dit aantal maar liefst 244. Kennelijk stijgt het aantal met 140% door alleen al het passeren (en meetellen) van de 40! Bij vrouwen waren deze cijfers respectievelijk 67 en 156 (bron: CBS). Ter vergelijking: het passeren van de 45-grens gaat gepaard met een stijging van ‘slechts’ 80% bij mannen en met ruim 60% bij vrouwen.

Roken, drinken, sporten
Als het lichaam na een jarenlang volgehouden levensstijl moet ingrijpen, staat het op een tweesprong: burnout of hartaanval? Drie factoren die mogelijk een rol spelen, zijn roken, alcohol en sporten. Maar hoe? Wat zou jij doen als je het lichaam was van een langdurig gestreste man van 57 jaar, die nooit had gerookt, maar ook nooit intensief had gesport, geen vroegtijdig hartfalen in de familie had en gedurende zijn hele volwassen leven bijna elke dag een paar glazen alcohol heeft genuttigd?
Bij een man die intensief rookt en bij wie hartfalen in de familie zit (drie hart-risicofactoren: man, roken, familiekwaal), kiest het lichaam bij een heftige stressreactie wellicht sneller voor een hartaanval dan voor een burnout. Roken staat al jaren bekend als een belangrijke factor die het risico op een hartziekte vergroot. Bewijzen te over. Toen op 5 juni 2002 het verbod op roken in openbare gelegenheden inging in een aantal Amerikaanse steden, daalde het aantal hartaanvallen in zo’n stad van gemiddeld zeven mensen per maand naar vier per maand – een daling van 40% (in een populatie van 66.000 personen). In andere steden, waar geen rookverbod gold, werd geen daling geconstateerd. 45-60% van de mensen met een burnout hadden in hun leven jarenlang intensief gerookt of rookten nog steeds. Kennelijk is roken ook een risicofactor voor burnout. Of is het alleen een indicatie van een verslaafde, gestreste persoonlijkheid? Nader onderzoek is gewenst, maar stoppen kan nooit kwaad. Roken is dodelijk – dat staat op elk pakje sigaretten.


Bij burnout-slachtoffers jonger dan dertig jaar is het percentage intensieve alcoholgebruikers circa 30%. Bij vrouwelijke dertigers is dit percentage 20%, maar dan stijgt het tot maar liefst 65% bij vrouwen van boven de vijftig. Is alcoholgebruik een risicofactor voor burnout en/of hartfalen? Een half glas alcoholische drank om de andere dag kan het risico voor een hartaanval doen dalen met een derde. Dit is gebleken uit een Amerikaans onderzoek (The New England Journal of Medicine). De sleutel zit in de frequentie. De studie had betrekking op 40.000 mannelijke gezondheidswerkers tussen de 40 en 75 jaar. Mannen die drie of vier keer per week drinken, verminderen hun risico op een hartaanval met 32% vergeleken met mannen die minder dan één keer per week drinken. Een half glas bleek even werkzaam als twee glazen. Ik vermoed dat een regelmatig wijntje (met mate) het lichaam eerder doet kiezen voor burnout doordat het relatief goed is voor het hart, maar er zijn te weinig gegevens voor een duidelijke conclusie. Nader onderzoek is gewenst.
Bij een man die vaak aan sport doet, met alle spieren in zijn lichaam, is de kans op een ziekte door verstopte bloedvaten kleiner, zo is gebleken uit onderzoek. Regelmatig bewegen, zoals lopen, hardlopen of zwemmen, is hèt recept voor preventie en behandeling van hart- en vaatziekten. Dit halveert de kans op hartfalen. Lichaamsbeweging verlaagt ook de kans op andere chronische ziekten, waaronder suikerziekte (type II) en depressiviteit (bron: Circulation, American Heart Association, 2003, internet cloud.datashed.net). Een verklaring voor het effect van hardlopen kan zijn dat de aërobe eisen die het lopen stelt, ervoor zorgen dat het lichaam meer bloedvaten ontwikkelt (de zogenaamde collateralen) om het hart van de benodigde zuurstof te voorzien. Regelmatig sporten verkleint dus de kans op een hartaanval, maar hoe zit dat met burnout? 50-60% van de mensen met burnout heeft jarenlang intensief gesport. Zou het bijeffect van sporten kunnen zijn dat het lichaam bij chronische stress burnout kiest omdat het hart geen zwakke plek is? Is intensief sporten een indicatie van een gezonde perfectionist of een gestreste persoonlijkheid? Ik weet het niet. Nader onderzoek is gewenst.

 
Terug naar onderwerpen



  Geen tijd voor burnout, afl. 4, dertigers, verslaving, 40 jaar

Burnout is volgens mij meestal het resultaat van een té ver doorgevoerde, té lang volgehouden levensstrategie, in een voor die persoon steeds minder gezonde situatie. Ik ben tot de overtuiging gekomen dat verslaafd zijn de onbewuste oorzaak is waardoor 66% van de vrouwen en 58% van de mannen hun burnout achteraf onafwendbaar noemen (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). Eenmaal beland in je derde levensfase ben je hoe dan ook ergens aan verslaafd geraakt: een karaktertrek, je werk, je hobby, een middel, een persoon, een gewoonte. In je werk kun vaak je favoriete karaktertrekken botvieren, hetgeen de verslaving versterkt. Een burnout is een manier van het lichaam om aan de noodrem te trekken, al dan niet teweeggebracht door een specifieke aanleiding. Verslaving is net als opbranden een langdurig, progressief proces dat in zijn eindstadium steeds sneller bergafwaarts gaat. Er blijken achteraf altijd waarschuwingssignalen te zijn geweest, maar door het verslavende karakter zijn deze genegeerd of ontkend. Dit kan iedereen overkomen.
Om te herstellen moet je je verslaving leren kennen, èrkennen en een minder prominente plek in je leven geven. De mensen die je daarbij helpen, moeten begrijpen wat verslaafd zijn betekent. De Amerikaanse familietherapeut Craig Nakken heeft op basis van twintig jaar praktijkervaring het boek The Addictive Personality (1988, 1996) geschreven. Op een goed moment, zegt hij, ervaart ieder mens een diep gevoel van geluk, vrede en schoonheid in zich. En dan glipt het weg, om pas later weer terug te keren. Als het weg is, ervaar je verdriet, een gevoel van rouw. Nakken ziet verslaving als een poging om de cyclus geluk-droefenis-geluk-droefenis te controleren, een poging om onze behoefte aan geluk te vervullen en te beheersen (p. 1). In het derde bedrijf van ons leven komen wij onze verslaving tegen. De vraag is niet óf we verslaafd zijn, maar waarom en waaraan. Daarom is dit thema III.
Verslaving is volgens Craig Nakken een zoektocht naar compleetheid, geluk, en vrede door middel van een relatie met een voorwerp of gebeurtenis. Elke verslaafde gaat zo’n relatie aan om een stemmingsverandering te produceren: de alcoholicus ervaart een stemmingsverandering als hij drinkt, de eetverslaafde ervaart een stemmingsverandering door toe te geven aan vreetbuien, de koopverslaafde ervaart een stemmingsverandering door excessief koopgedrag, de werkverslaafde ervaart een stemmingsverandering door op het werk te blijven om de zoveelste taak af te werken.
Nakken onderscheidt drie soorten stemmingsverandering: opwinding (arousal), verzadiging (satiation) of fantasie. Opwinding geeft een gevoel van macht, de pijn wordt ‘verslagen’. De ironie is dat de verslaafde steeds weer terugkeert naar het voorwerp of de gebeurtenis die de opwinding produceert, om er uiteindelijk afhankelijk van te worden – en dus macht verliest. Gevolg: angst om de nieuwverworven controle kwijt te raken en angst dat anderen zijn machteloosheid ontdekken. Verzadiging of bevrediging geeft de verslaafde het gevoel compleet te zijn, volledig, ‘voorbij’ de pijn. De verdoving duurt voort zolang de stemmingsverandering aanhoudt, maar verankert de persoon in feite sterker in het rouwproces. Zodra het effect wegebt, komt de oorspronkelijke pijn terug, aangevuld met het verlies van het prettige, verzadigde gevoel. Gevolg: meer rouw en wanhoop.
Let wel: nergens noemt Nakken in zijn boek het fenomeen burnout. Maar volgens mij vormt het verslavingsproces zoals hij dat beschrijft, ook de essentie van het burnout-proces.

Typeverslaving
De Amerikaanse psychoanalyticus Herben Freudenberger gebruikte de term burnout voor het eerst in een artikel in Journal of Social Issues in 1974. Hij constateerde het fenomeen bij hulpverleners van drugsverslaafden. Maar waar waren de hulpverleners zelf verslaafd aan?
Freudenberger zag idealistisch ingestelde jonge vrijwilligers in een alternatief hulpcentrum voor drugsverslaafden binnen een jaar veranderen in gedesillusioneerde, onverschillige, en afstandelijke mensen. Volgens de huidige Nederlandse richtlijn zou een aantal van deze mensen gezien de korte aanlooptijd (binnen een jaar) overspannen zijn genoemd, maar dit terzijde. ‘Burnout’ bleek hét woord te zijn dat bij de uitgeputte hulpverleners die hij interviewde, weerklank vond: ‘Yeah, that’s how I feel. Burned out.’ Een burnout-slachtoffer vóélt zich burned out en daarom heet het syndroom zoals het heet – opgebrand in goed Nederlands. De ervaringsdeskundigen zijn dus de eigenlijke naamgevers geweest van het syndroom.
Die oorsprong van de term is interessant, omdat het de huidige definitiekwestie relativeert en onze aandacht richt op de essentie van het opbranden. Burnout was in 1974 een term afkomstig uit de toenmalige Amerikaanse drugsscene. Het had betrekking op het verschijnsel dat tegenwoordig tolerantie heet: ‘een verslaafde moet een steeds hogere dosis nemen om hetzelfde effect te bereiken. To be burned out wilde zoveel zeggen als: de voorraad drugs in het lichaam is opgebruikt, of letterlijk opgebrand.’ Freudenberger wees met zijn term op de analogie met het opbranden van drugs door het lichaam (Schaufeli, Behandelingsstrategieën bij burnout, p. 3). De ironie is dat de hulpverleners van de verslaafden zèlf opbrandden.
Wat was dan hun ‘drug’? Waar waren zij verslaafd aan? Helpen. Hulpverleners helpen, geven – ze kunnen niet anders. Hun ‘drugsscene’: ziekenhuizen bijvoorbeeld, maatschappelijk werk, scholen, kinderdagverblijven, bejaardentehuizen, gezinnen. Sommige van deze plekken staan bekend om hun burnout-risico. Maar komt dat door het werk of doordat bepaalde karaktertrekken oververtegenwoordigd zijn? Beide.

De Verslaafde
In mijn poging om burnout te begrijpen was het grootste raadsel waarom mensen doorgaan tot het bittere einde, ondanks de waarschuwingen van hun omgeving, ondanks de signalen van het eigen lichaam, ondanks de objectieve anti-logica van het alsmaar volhouden. De verklaring vond ik in de fascinerende logica van de verslaafde persoonlijkheid. Toen pas viel bij mij het kwartje. De verslaafde leeft in een andere werkelijkheid dan zijn omgeving. Anderen begrijpen het aanstaande burnout-slachtoffer niet omdat zij zijn gedrag interpreteren vanuit hun eigen logica.
Naarmate het verslavingsproces voortschrijdt, schrijft Craig Nakken, wordt de verslaving een substituut voor andere manieren om pijn, verdriet of onbehagen te verwerken. Een nieuw deel van iemands persoonlijkheid vormt zich: ‘the addictive personality’. Naast wat Nakken noemt het ‘normale’ Zelf (‘the Self’) ontstaat de Verslaafde (‘the Addict’). Het verlies aan Zelf gaat gelijk op met de groei van de Verslaafde. Volgens Nakken is er tussen beide kanten constant een energievretend gevecht gaande, waarbij de Verslaafde telkens wint. Verlies op verlies leert het Zelf de Verslaafde te accepteren en zich steeds eerder over te geven.
Het zich overgeven aan de verslavende daad ondermijnt volgens Nakken onbewust het gevoel van eigenwaarde. De persoon voelt zich bovendien ongemakkelijk, rusteloos en schuldig. Het zijn de eerste interne waarschuwingssignalen die de Verslaafde vervolgens leert te ontkennen. Het verslavingsproces is volgens Nakken een proces van denial: ontkenning van de realiteit en van het Zelf. Bovendien ontkent de persoon dat hij op deze wijze feitelijk de controle over zichzelf aan het verliezen is, op emotioneel niveau.
Alleen door verslaafdenlogica te gebruiken in plaats van normale logica is het gedrag van de Verslaafde te begrijpen. Normale logica zegt dat het niet goed is om jezelf te beschadigen, verslaafdenlogica zegt dat het oké is omdat het Zelf niet belangrijk is – slechts de stemmingsverandering die wordt nagestreefd, telt. Normale logica zegt dat het niet goed is om anderen pijn te doen, verslaafdenlogica zegt dat het oké is omdat de relatie met anderen er niet toe doet – slechts de relatie met het verslavingsobject doet er toe. Het Zelf verzet zich lange tijd tegen deze logica, maar legt het uiteindelijk af. De logica van de Verslaafde geeft hem een illusie van controle.
Familie en vrienden proberen te begrijpen wat er gaande is en labelen het gedrag: ‘het enige wat zij doet, is kopen, kopen, kopen!’, ‘het enige wat hij doet, is werken, werken, werken!’, ‘hij drinkt een beetje te veel’. Maar in feite labelen ze de Verslaafde, het ongezonde deel. Uiteindelijk past iedereen zich aan aan de ‘nieuwe persoon’, maar de relatie verandert. Het ene moment heeft iemand uit de omgeving een constructief gesprek met het Zelf, het andere moment blijkt de Verslaafde aan het woord, omdat zijn verslaving in gevaar komt. Voor de omgeving is dit niet te volgen en zij verliest uiteindelijk het vertrouwen in de persoon. De Verslaafde in de persoon zorgt er actief voor dat hij zich steeds meer isoleert. Het Zelf moet het met lede ogen aanzien.

Proces
De vergelijking tussen opbranden en verslaving is meer dan een analogie. Een promotieonderzoek van biologe Femke Pijlman, bij de Universiteit Utrecht, toonde aan dat psychisch gestreste ratjes actiever en gevoeliger werden voor beloningen. In hun hersenen werd gemakkelijker endorfine, een morfineachtige stof vrijgemaakt. Extra afgifte ervan zorgt voor een grotere gevoeligheid voor verslaving. Zo kan psychische stress ook langs lichamelijke weg leiden tot verslaving, concludeerde Pijlman (Psychologie Magazine, april 2002). Craig Nakken legt in zijn boek The Addictive Personality uit hoe het verslavingsproces in drie stadia verloopt. De negatieve spiraal kan in het derde stadium nog slechts gestopt worden door een interventie.
Lang voor iemand iets vermoedt of herkent, hebben zich volgens Nakken al vele veranderingen voorgedaan in de verslaafde, diep vanbinnen. De reis begint als de persoon een high – de stemmingsverandering, de kick – ervaart, die geproduceerd wordt door een voorwerp of een gebeurtenis. Gokverslaafden herinneren zich bijvoorbeeld nog een vroege big win. Stage One is volgens Craig Nakken een fase waarin de persoon de intimiteit zoekt in het object van de verslaving. Langzaam maar zeker worden natuurlijke relaties vervangen door de voorwerpen of de gebeurtenissen die gerelateerd zijn aan de verslaving. De Verslaafde kant in iemands persoonlijkheid vormt zich in dit eerste stadium.
In het tweede stadium verstevigt de Verslaafde zijn positie in iemands persoonlijkheid die hij in het eerste stadium heeft veroverd. Hij begint zijn gedrag te ritualiseren. Nakken geeft als voorbeeld: de eetverslaafde die eten begint te verstoppen, de seksverslaafde die meerdere relaties begint, de gokverslaafde die geheime bankrekeningen opent, de alcoholverslaafde die gauw alvast een paar slokken neemt voordat hij van huis gaat. De Verslaafde ontwikkelt een compleet repertoire van ontkenning, onderdrukking, onwaarheid, rationalisaties en andere verdedigingsmiddelen om te kunnen omgaan met het proces waarin hij verstrikt is geraakt.
Het resultaat is dat de persoon zich steeds meer in zichzelf terugtrekt. Voordat de totale overgave plaatsvindt, richt het Zelf zich nog op het ‘containen’ van de verslaving, waardoor nog meer energie naar binnen wordt gericht. Een actief verslaafde persoon is volgens Nakken een emotional loner, het liefst alleen, terwijl het Zelf naar iemand hunkert die kan helpen en kan luisteren naar wat er gaande is. Maar in de ogen van de Verslaafde is een persoon die zich zorgen om hem maakt, lastig. Dit maakt voorwerpen zo aantrekkelijk voor de Verslaafde: ze stellen eisen noch vragen en ze veroordelen niet. Naarmate de verslaving vordert, neemt het wantrouwen ten opzichte van andere mensen toe.
Verslaafden ontwikkelen in Stage Two een zekere ‘tolerantie’ voor de verslavende daad, wat zoveel wil zeggen dat ze gewend raken aan de high, de kick. Daardoor moeten zij het steeds vaker en heftiger doen om de gewenste stemmingsverandering te bereiken. Dit is beangstigend voor ze, omdat het bevestigt dat zij ergens onderweg de controle zijn kwijtgeraakt. Dit soort momenten worden gevolgd door beloftes aan zichzelf en aan anderen om te stoppen en voortaan te doen wat goed is. Verslaafden doen deze beloftes om anderen en zichzelf te overtuigen dat zij de zaak onder controle hebben of op korte termijn zullen hebben. Maar het is bijna onmogelijk voor ze om werkelijk zelf te stoppen, door de hersenspoeling die zij in een eerder stadium hebben ondergaan (Nakken noemt dit the delusion system).
In Stage Three heeft de Verslaafde alle macht; het Zelf heeft niets meer te vertellen. De negatieve spiraal van het verslavingsproces is nu zo ver gevorderd dat de verslaafde zelf niet in staat is de cyclus te doorbreken zonder enige vorm van interventie. Diep vanbinnen creëert de eenzaamheid en isolatie echter een hunkering naar het emotioneel verbonden zijn met anderen. Ook op fysiek gebied worden symptomen van de aftakeling zichtbaar en voelbaar. Verslaving produceert veel stress, en na jaren van dergelijke emotionele en psychologische stress worden het hart en elk ander orgaan tot het uiterste beproefd, zegt Craig Nakken in zijn boek The Addictive Personality.

40 (V)
Karin Bloemen: ‘Hoewel ik nooit problemen heb gehad met mijn leeftijd, vond ik het ineens belachelijk dat ik veertig werd. Veertig!’ (Plus Magazine, december 2002). Veertig is een leeftijd waarbij menige vrouw eindelijk haar leven de wending geeft die zij al jaren in gedachten had. Bij vrouwen volgt na de 35 een nieuwe golf burnouts, die een aantal jaren aanhoudt – een kopie van het patroon van tien jaar eerder (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). Voor 60% van de mannen en vrouwen die op 38-jarige leeftijd een periode langdurige gestrest, overspannen, overwerkt of burnout zijn, is dit de eerste keer dat ze zoiets ervaren. Ook in dit opzicht herhaalt zich hetzelfde patroon als bij 28 jaar. Bij mensen van 45 is dit percentage ‘nieuwe’ chronische gestresten slechts 42%. De meeste ervaringsdeskundigen hebben er dan al in een eerdere levensfase mee te maken gehad of worstelen er nog steeds mee.
De vrouwelijke veertig werpt haar stressschaduw vooruit naar de periode rond de dertig. Dan al voelen vele vrouwen zich voor een keuze geplaatst: carrière of kinderen? Gemiddeld krijgt de Nederlandse vrouw met kinderen haar eerste kind op 29-jarige leeftijd. Dat een kind een nieuwe bron van stress in haar leven introduceert, spreekt voor zich, ongeacht of de vrouw stopt of blijft werken (al dan niet in deeltijd). Bovendien gebeurt er nogal wat met de hormoonhuishouding, dat ook stress met zich meebrengt. Menige vrouw besluit rond de dertig nog een aantal jaren te wachten en wijdt zich volledig aan haar loopbaan – vaak met extra veel inzet. Maar in haar achterhoofd heeft het getal veertig zich al verstopt, om na de 35 opnieuw de aandacht op te eisen voor het kindervraagstuk. Helemaal weg is het onderwerp nooit. Daar zorgen de baby’s in de familie- en vriendenkring wel voor. En anders wel het zwangerschapsverlof van de collega’s op het werk of de babyverhalen in de roddelbladen. Zij die in het zicht van de veertig besluiten kinderen te krijgen en daar succesvol in zijn, voegen op dat moment de stressfactor ‘kind’ toe aan een drukke loopbaan, die op dat moment al zo’n tien jaar gaande is. Opnieuw doemt de stressvolle vraag op: blijven werken of stoppen? Soms zelfs in het zicht van een promotiekans.
Het aantal burnouts ‘piekt’ bij vrouwen niet precies bij de veertig, maar bevindt zich gedurende een periode van zes jaar (37-43 jaar) op een ‘hoogvlakte’ (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). De vrouw die op deze leeftijd nog geen kinderen heeft, weet dat het na de veertig steeds moeilijker wordt om ze nog te krijgen. Menige kinderloze dertiger die de veertig nadert, krijgt daarom haast als ze 37 of 38 is. Vaak lukt het, maar niet altijd. Als het op 43-jarige leeftijd nog niet gelukt is om moeder te worden, dreigt het biologisch onmogelijk of medisch onverantwoord te worden – een stil verdriet wenkt. Zelfs de vrouw die reeds eerder heeft besloten geen kinderen te willen, overweegt dit bij veertig nog een laatste maal. De absolute burnout-piek voor vrouwen ligt bij 43 jaar, een kopie van de eerdere piek rond de 32.
Karin Bloemen kreeg op haar 37e haar eerste kind, rond Kerstmis. ‘Ik heb vrienden die er zes jaar over hebben gedaan om zwanger te worden. Bij mij was het binnen twee maanden gepiept. Dan moet je alles omgooien, ruimte maken voor barensnood en kind.’ Kort daarna kreeg ze haar tweede dochter en bleef onverminderd actief in het theater. Op haar veertigste was ze opgebrand en moest de tournee afgelasten. Ze herstelde en verweefde haar burnout in de show waarmee ze in 2002 op tournee ging, De Diva en de Divan.
In 1997 werd haar eerste kind geboren. Na de geboorte van haar eerste dochter wilde ze voorlopig even niet meer optreden, maar toch kwam ze met iets nieuws: Kameleon, een studio-cd. ‘Gevoelige nummers, maar ook een vleugje Madonna.’ (Elsevier, 12 september 1998). Dit groeide uit tot een complete theatershow, waarmee ze twee seizoenen op de planken stond. Ondertussen werd haar tweede dochter geboren. In 1999 viel ze onvoorbereid in voor Marco Borsato en zong het lied Het Dorp van Wim Sonneveld, begeleid door pianist Cor Bakker. De samenwerking zou uiteindelijk uitmonden in een nieuwe show, en stond gepland voor oktober 2000 (NRC Handelsblad, 19 april 2002).
Maar eerst ging het licht uit. ‘Ik kreeg paniekaanvallen; dat ik met de sleutels in mijn hand naar mijn sleutels zocht. Op de bühne stond en dacht: wat is dat liedje toch? Dat had ik dan al honderd keer gezongen. Ik wist niet meer of ik rechtsom moest of linksom. Optreden was teveel werk geworden.’ Het nám meer, dan het gaf. ‘Ik heb het gelukkig op tijd gesignaleerd.’ Ze had ook veel fysieke problemen: ‘pijn in mijn rug, mijn knieën, mijn enkels en mijn voeten. Alles zat vast. Ik voelde me ongezond.’ (NCRV-gids, 27 september 2003). ‘Ik was moe, bekaf, kapot.’ In goed overleg zegde ze alle verplichtingen af en creëerde vier maanden alleen maar rust (Plus Magazine, december 2002). De burnout van Karin Bloemen betekende de afsluiting van haar derde bedrijf. Het was een waterscheiding in haar leven.
Achteraf constateerde Karin Bloemen dat ze een prototype voor burnout was. ‘Ik ben vrouw, moeder, had net twee bevallingen achter de rug die je hormonen enorm in de war flikkeren en heb sowieso een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. De grens was bereikt.’ (NCRV-gids, 27 september 2003). ‘Ik ben het klassieke voorbeeld van een vrouw die teveel hooi op haar vork nam. Ik wilde de perfecte showvrouw zijn, een perfecte moeder, echtgenote, minnares én huisvrouw en er daarnaast ook nog eens een fantastisch sociaal leven op na houden. Dat ging dus niet.’ Ze had op een gegeven moment nergens meer zin in. Niet in werken, niet in het moeder zijn en zelfs niet in seks. ‘Ik was totaal opgebrand.’ (Party, 24 december 2002)

40 (M)
Alleen door veertig te worden verdriedubbelt een man zo ongeveer zijn kans om burnout te raken, hoewel die kans nog altijd kleiner is dan bij een vrouw van veertig. Mannen laten zich overvallen door de veertig. Ineens voelen ze zich oud en denken ze dat ze op de helft zijn. Een slechtere score bij de medische keuring, ineens de oudste zijn op een vergadering, verslagen worden door een zoon, vergeefs solliciteren op een functie die naar een jongere vent gaat, een kalende plek, een bril, het krijgt allemaal een extra lading. De leeftijd kan onbewust een burnout veroorzaken. Toch is de veertig voor de man grotendeels symbolisch. Op zijn 41e is zijn kans op burnout al weer terug op het niveau van een dertiger. Veertig is dan ook voor mannen een totaal andere leeftijd dan voor vrouwen.

 
Terug naar onderwerpen



  Geen tijd voor burnout, afl. 3. twintigers, anorexia, perfectionisme

Het opzoeken van de eigen grenzen is een thema dat kenmerkend is voor veel twintigers. De langdurige strijd van een sporter op weg naar het allerhoogste, gedreven door het heilige olympische vuur, lijkt soms een vorm van opbranden. Sport blijkt meer dan een metafoor. Het lijkt zelfs een risicofactor voor burnout. 60% van de mannen en 54% van de vrouwen die burnout hebben gehad, blijken gedurende meerdere jaren intensief te hebben gesport – een opmerkelijk hoog percentage (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper).
Het zijn niet de minste twintigers die opbranden. De Amerikaan Eric Heiden is de enige schaatser in de geschiedenis die vijf gouden medailles haalde tijdens dezelfde Olympische Winterspelen (1980, Lake Placid). In 2002 vertelde hij in Nederland zijn verhaal. Hij was veertien jaar toen hij zich serieus op het schaatsen ging toeleggen. Zijn eerste doelstelling, het bereiken van de Spelen in Innsbruck (1976), werd gehaald. ‘Foute doelstelling. De attracties in het olympisch dorp zijn enorm voor een debutant – het café is 24 uur open, er zijn flipperkasten, er lopen beroemde sporters rond.’ Hij behaalde er geen enkele prijs.
Na zijn eerste Spelen ging Heiden er tegenaan zoals geen enkele andere schaatser. ‘We trainden harder dan wie ook.’ Op fysiek gebied, maar ook op ‘mental toughness’. Heiden kon zich ‘geweldig focussen op een race’. Een topsporter diende volgens hem één doel voor ogen te houden en dat na te streven. Na zijn fantastische prestatie in 1980 was dat doel ineens weg. Eric Heiden was toen pas 21 jaar: ‘Ik was compleet opgebrand’. Vervolgens stortte hij zich met hetzelfde fanatisme op een medicijnenstudie. In 1986 nam hij deel aan de Tour de France, maar moest na een val afstappen. Tegenwoordig is hij dokter en als zodanig verbonden aan de Amerikaanse schaatsploeg. Als iemand hem tegenwoordig aanhoudt, zegt hij, is het omdat hij een dokter is; niet vanwege zijn olympisch verleden (de Volkskrant, 13 november 2002).

Waarschuwingssignalen
Zodra mensen de twintig gepasseerd zijn, groeit de kans op een burnout. Die kans stijgt naarmate iemand de balans tussen presteren en ontspannen uit het oog verliest. Ze zijn té gefocust – blind en doof tegelijk. Na de burnout heeft de jonge volwassene zijn eigen waarschuwingssignalen leren kennen. Hij zoekt voortaan ook een manier om ‘de batterij’ regelmatig op te laden. Het opbranden van een twintiger lijkt een onderdeel te zijn van een groeiproces.
Edwin Lugt kreeg last van burnout-verschijnselen op zijn 28e. Hij woonde destijds met zijn vrouw en pasgeboren dochter in een gigantisch huis met binnenzwembad in München. Maar hij zag ze zelden. ‘Ik dacht alleen in cijfers en targets, en aan de verwachtingen van de beursanalisten. Naast fysieke klachten – hoofdpijn, slapeloosheid – werd ik volkomen onverschillig.’ Vanuit München maakte hij met zijn gezin uitstapjes naar Venetië, Florence en Milaan en skiede hij in de mooiste natuurgebieden. ‘Maar ik kon er niet van genieten. Het deed me niks meer.’ (Lounge, voorjaar 2003)
Tot zijn burnout had hij snel carrière gemaakt. Algemeen directeur van Bugamor Pharma, met honderdvijftig medewerkers, op zijn 25e. Drie jaar later vertrok hij naar PMSI, een Amerikaanse dienstverlener binnen de farmaceutische industrie. Daar was hij verantwoordelijk voor bedrijven in acht Europese landen. Hij werkte aan overnames en integraties tussen overgenomen bedrijven en turnarounds, ter ondersteuning van een beursgang in 1991. Vijf jaar later had hij vijfhonderd medewerkers en was hij verantwoordelijk voor negentig miljoen omzet. Maar hij was burnout en vertrok.
Voor hem was zijn burnout de overgang van het tweede naar het derde bedrijf. Voor de meeste mannen komt die crisis later, al dan niet vergezeld van een burnout. Edwin: ‘In mijn omgeving zie ik mannen rond de veetig die het aardig voor elkaar hebben, met een midlifecrisis worstelen. Goede baan, mooi huis, leuke vrouw en kinderen. En dan ineens kampen ze met de vraag: waar doe ik het eigenlijk allemaal voor?’ Zelf is hij inmiddels 39 jaar. De komende jaren zal blijken of Edwin Lugt de waarschuwingssignalen van burnout niet vergeet. Op basis van de waarschuwingssignalen genoemd door de 403 respondenten van de Enquête burnin.nl 2003 heb ik een top 50 samengesteld die ik ‘Geen tijd voor burnout’ heb opgenomen.

Lichaam én geest
Waarom bestrijken de symptomen van een burnout zo’n enorm breed scala? Van een griepje tot doodsangst, van depressieve gevoelens tot gewrichtspijnen, van extreme vermoeidheid tot prikkelbaarheid, van concentratieverlies tot huiduitslag, van slapeloosheid tot woedeaanvallen? Het antwoord: door de uitwerking van stress op ons lichaam én onze geest. EOS Magazine/Scientific American wijdden er recentelijk een speciaal nummer aan (nr. 1, 2003). Eén artikel in het bijzonder biedt een duidelijk inzicht: Ziek zijn tussen lichaam en geest.
De auteurs Esther Sternberg en Philip Gold zijn vooraanstaande onderzoekers van het Amerikaanse National Institute of Mental Health. Ze hebben diverse publicaties op hun naam staan. Nieuwe moleculaire en farmacologische instrumenten maken het mogelijk het ingewikkelde netwerk tussen immuunsysteem en hersenen te ontrafelen. Beide systemen blijken voortdurend te communiceren langs een wirwar van supersnelle verbindingswegen. De hersenen vangen signalen op van de immuuncellen en sturen het afweersysteem een moleculair antwoord. ‘De scheikundige beraadslaging beïnvloedt het gedrag en de reactie op stress. Communicatiestoornissen van gelijk welke aard, ongeacht of die worden veroorzaakt door erfelijke factoren, geneesmiddelen, giftige stoffen of chirurgie, zullen de ziektetoestand en de daarmee geassocieerde stemmingen verergeren.’
Stressreactie, immuunreactie en bijbehorende interacties zorgen voor een communicatiekluwen die tot voorheen onbekend was. Lichaam en geest opereren niet gescheiden van elkaar. Stimulatie van bepaalde hersengedeeltes – op diverse manieren – kan aanleiding geven tot angstgevoelens, waakzaamheid, depressieve gevoelens en bijbehorende gedragsveranderingen zoals vermijding. Elke onderbreking van de communicatie tussen hersenen en immuunsysteem resulteert volgens Sternberg & Gold in verhoogde vatbaarheid voor ontstekingen of immunologische complicaties. Het hormoon CRH speelt een rol in de link tussen stressproblemen en klachten als gevolg van een lichtgeraakt immuunsysteem. ‘Ook patiënten met stemmingsstoornissen als atypische depressie vertonen een falende stressreactie en uitgebluste CRH-functie.
Sociale interacties kunnen volgens de auteurs psychische stress verzachten of verergeren. Ze beïnvloeden de hormonale reactie op bepaalde situaties en werken indirect in op de immuunrespons. Sociaal-psychische stress is dus van invloed op onze vatbaarheid voor infectieziekten. ‘Mensen associëren bijvoorbeeld eenzaamheid met gevaar, wat leidt tot een typisch ‘adrenalinepatroon’ in de bloeddrukstijging en de stressrespons. Ofschoon de bloeddoorstroming en het hartritme ook toenemen wanneer we sport beoefenen, zien we in dat geval een duidelijk ander patroon, omdat het lichaam nu reageert op een uitdaging en niet op een bedreiging.’
Sternberg & Gold concluderen dat het immuunsysteem gevoelig is voor ons zelf- en wereldbeeld en de manier waarop we met stress omgaan. Omgekeerd bepalen ziekten die met chronische ontsteking gepaard gaan, ons humeur en onze angstgevoelens. Zij achten de scheidslijn tussen lichaam en geest in een medische en een psychische categorie daarom kunstmatig en misleidend. De auteurs stellen dat het klinisch belang van deze bevindingen moeilijk kan worden overschat. Geneesmiddelen voor neurologische problemen blijken ook te werken tegen immuunziekten en omgekeerd. ‘Recente onderzoeksresultaten bevestigen bovendien het populaire geloof in de kracht van positief denken, ofschoon dat in bepaalde medische kringen nog altijd als apekool wordt afgedaan.’

Burnout of anorexia?
Tussen anorexia en burnout blijken naast grote verschillen meer overeenkomsten te bestaan dan alleen de term ‘opbranden’ of een mogelijke predispositie CNC. Vijf andere overeenkomsten hebben betrekking op het proces. Ten eerste: een verstoorde energiebalans. Ten tweede: roofbouw op zichzelf. Ten derde: een vorm van verslaving. Ten vierde: lichamelijk en geestelijk opbranden. Ten vijfde: herstel vergt een gewijzigde levensstrategie, die kan leiden tot een nieuw hoogtepunt. Het lijkt alsof met name het lichaam van jonge vrouwen tussen de tien en vijfentwintig jaar voor een keuze staat: anorexia of burnout? In beide gevallen is het eindresultaat totale uitputting, maar in geval van anorexia kan dit fataal zijn. De Nederlandse wielrenster Leontien van Moorsel, geboren in 1970, behaalde op de Olympische Spelen in Sydney (2000) vier medailles, waarvan drie gouden. Maar vier jaar eerder was ze helemaal opgebrand, als gevolg van anorexia.
Op haar achttiende werd ze 31e bij haar eerste Tour de France. ‘Toen is er zoveel veranderd in mijn hoofd.’ Alle meisjes voor haar waren veel dunner. Haar coach zei dat ‘die dikke kont eraf’ zou moeten als zij ooit als eerste de Alpe d’Huez wilde bereiken. Hij stelde als doel dat ze bij de Olympische Spelen in Barcelona de top kon halen. Dan zou ze in drie jaar zes kilo eraf moeten halen. ‘Bij jonge meisjes kan die boodschap heel verkeerd aankomen. Wat een coach zegt, grijpt je zo aan, daar moet je zó mee uitkijken. Op die leeftijd kun je dat geen plaats geven.’ Haar supportersclub maakte een spandoek met ‘Tinus is met haar dikke reet wel als eerste aan de meet’, maar Tinus slankte in een half jaar af van 65 naar 52 kilo. ‘Ik was zo stom om er in één winter twaalf kilo af te halen.’ De energie ging er met bakken uit, maar er kwam bijna niets voor terug. De energiebalans werd verstoord, met als gevolg dat ook een aantal lichamelijke en mentale processen ontspoorden.
‘Anorexia, dat gun ik m’n grootste vijanden niet. [...] Dat je je maag voelt knorren van ’s morgens tot ’s avonds, dat je misselijk en gammel bent, en dan nog topsport bedrijven?’ (Elle, juli 2001). Ze at heel uitgekiend, zodat haar ouders pas laat in de gaten kregen dat ze iets had. Michael Zijlaart, haar man, was de eerste die tot haar doordrong, toen hij zag dat ze niet gelukkig was. Hij was ‘de eerste die me liet inzien dat ik verkeerd leefde.’ Terugkijkend: ‘Ik heb [...] puur roofbouw gepleegd.’ (De Telegraaf, 9 september 2000)
Anorexiapatiënten vertonen volgens Kathryn Pridgen van de James Madison University niet zelden tekenen van verslaving of doen buitensporig veel lichaamsoefeningen, op het obsessieve af. Zij vergelijkt anorexia met een drug. Het is verslavend en hoe langer het doorgaat hoe kleiner de kans dat de persoon er tijdig los van komt (bron: cep.jmu.edu). Onderdeel van het verslaafd zijn is het ontkennen, waardoor het moment van ingrijpen lange tijd wordt uitgesteld. Tinus: ‘Ik bleef zelf ook ontkennen. Dacht: wat zitten ze nou te lullen allemaal. Ik reed hard, ik won alles.’ (Elle).
‘Geestelijk was ik helemaal op. Ja, ik zat aan de wereldtop, maar ik voelde me niet gelukkig. Voor het WK in Oslo (1993) barstte ik thuis al in tranen uit omdat ik helemaal geen wereldkampioen wilde worden.’ (De Telegraaf). Ze werd tóch wereldkampioen en ging door. Tinus woog uiteindelijk op haar 24e nog maar 45 kilo en was lichamelijk en geestelijk opgebrand. Ze kon tijdens de Tour de Vendée in 1994 de berg niet meer op en moest opgeven. Van Moorsel stopte helemaal met fietsen. Dat ze ooit nog terug zou komen op het hoogste niveau was onwaarschijnlijk.
De literatuur maakt nergens melding van een vergelijking tussen anorexia en burnout. De reden ligt voor de hand. Anorexia is een eetstoornis die een half tot drieëneenhalf procent van de vrouwen treft, vooral tienermeisjes. Vijf tot achttien procent van hen sterft een voortijdige dood (bron: diverse Amerikaanse en Nederlandse internetsites). Burnout wordt daarentegen gezien als een niet-fataal, werkgerelateerd uitputtingssyndroom bij mannen en vrouwen tussen de 20 en 65 jaar. Door de verschillen te benadrukken ziet men echter belangrijke overeenkomsten over het hoofd. Zoals de herstelfase en de mogelijke redenen waarom zowel anorexia als burnout in de leeftijdscategorie tot dertig jaar ruim acht keer zoveel vrouwen als mannen treft.
Sociale ondersteuning was essentieel voor Leontien van Moorsels herstel. Evenals het feit dat na herstel nieuwe hoogtepunten mogelijk zijn. Maar niet nadat iemand zijn levensstrategie heeft bijgesteld en heeft leren relativeren. Ook in dat opzicht lijken anorexia en burnout op elkaar. Leontien bleef na haar herstel van anorexia een fanatiek sporter. Michael: ‘Iemand met hetzelfde talent zal steeds van haar verliezen. Door haar karakter kan ze steeds een trapje harder.’ Maar, zei ze, toch gaat het nu allemaal anders dan voorheen. ‘Michael heeft me geleerd om de middenweg te bewandelen. Leren luisteren naar mijn lichaam. Dat rust nemen net zo belangrijk is als trainen. Voorheen probeerde ik alles te overdrijven. Leefde ik alleen in extremen’. Zij moest haar levensstrategie wijzigen om te kunnen herstellen, zoals ook burnout-slachtoffers dat moeten doen. Leontien Zijlaart-Van Moorsel vocht zich na haar ziekte terug naar de top, met de steun van haar twee families en op de kracht van haar eigen karakter. ‘Toen ik in 1998 Nederlands kampioene op de weg werd, wist ik dat iedereen zijn borst weer nat kon maken.’ Ze was 28 jaar.

28
Bij vrouwen vormt 28 jaar het piekjaar van de eerste golf burnouts. Bij 27 en 29 jaar vinden ongeveer half zo veel burnouts plaats; daarna groeit het aantal weer tot een nieuwe piek bij 32. Bij tweederde van de mensen die op hun 28e last krijgen van enige vorm van langdurig gestrest/overspannen/overwerkt of burnout zijn, is dit de eerste kennismaking. Bij mensen van 33 jaar oud is dit slechts een derde. Tweederde worstelt dan nog steeds (of opnieuw) met dezelfde problematiek (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). Katja Schuurman: ‘Ik ben 28. Af en toe denk ik wel eens, als ik ’s ochtends wakker wordt: “God, mijn gezicht gaat steeds meer verkreukelen”.’ (Veronica Magazine, 11 oktober 2003). Wat is er zo bijzonder aan de leeftijd 28?
Zij is een vat vol tegenstrijdigheden: ambitieus, onzeker, melancholisch, iemand van pieken en dalen, een twijfelaar. ‘Ja, dat klopt allemaal wel.’ (KRO Mikro Gids, 7 september 2003). Toen ze 27 was, zat Katja weer dicht tegen een burnout aan. Televisiewerk (BNN at work, tv-serie Costa), een film (Oesters van Nam Kee, 2002), interviews, reizen. ‘Sinds Linda, Roos & Jessica heb ik niet meer het gevoel gehad dat ik weer zou gaan instorten, maar daar zat ik nu dichtbij. Dat je het allerlaatste beetje energie eruit perst. Als ik ’s avonds mijn kleedkamer binnenkwam na veertien dagen ononderbroken werken, ging ik gewoon zitten janken. Omdat ik helemaal leeg was.’
Ze kan de dingen niet half doen, dus dat kost veel energie. ‘Ik ben inderdaad een perfectionist. Maar dat woord neem ik eigenlijk liever niet meer zo snel in de mond. Omdat perfectionisme ook met zich meebrengt dat je een control freak wordt.’ Ze is er intussen wel achter gekomen dat als je dingen kunt loslaten, er vaak betere dingen ontstaan. Maar op haar 28e besloot ze ook om met één ding te stoppen. ‘Ik zal mensen niet meer vermoeien met mijn matige zangtalent.’ (De Telegraaf, 12 september 2003)

Perfectionisme
Klinisch psycholoog Dr. Steven Hendlin ziet in anorexia een van vele manieren waarop perfectionisme zich kan manifesteren. Een recent, uitgebreid Amerikaans onderzoek onder 322 vrouwelijke anorexia nervosa-patiënten in Amerika en Europa legde een directe link bloot tussen de mate van perfectionisme en de ernst van de aandoening. Dr. Katherina Halmi: ‘Niemand is perfect, maar anorexiapatiënten denken dat ze het zouden moeten zijn’ (American Journal of Psychiatry, november 2000, abcnews.go.com). Perfectionisme is een karaktertrek die bij vrouwen een belangrijke rol speelt bij zowel anorexia (vooral in de tienerjaren) als bij burnout (vooral bij volwassenen). Daarbij wordt perfectionisme door vrouwen – vaker dan door mannen – opgevat als alles goed willen doen. Zij verwarren goed doen met goed zijn. Een fout maken of ergens in tekortschieten versterkt onmiddellijk een eventueel negatief zelfbeeld: zie je wel, ik ben niet goed, of niet goed genoeg.
Sara Rosin, anorexiapatiënte op haar 22e, was een lange afstandsloper op school en haar perfectionisme dwong haar verder en verder te gaan. ‘Als ik drie mijl kon lopen, was dat goed, maar als ik vijf mijl kon lopen, was dat nog beter.’ Toen haar gewicht op 34,5 kg was beland, realiseerde ze zich dat haar drive haar dood kon betekenen. Rosin herstelde, maar moet altijd nog alert zijn op negatieve gedachtepatronen en onrealistische verwachtingen. Volgens haar zit er een typisch vrouwelijk aspect zit aan de mentale kant van anorexia: ‘Op de een of andere manier hebben vrouwen de boodschap “Je kunt alles worden wat je wilt” vertaald in “Je moet altijd alles zijn wat je mogelijkerwijze kunt zijn!” Oh – en vergeet niet dat je de beste van iedereen moet zijn!’ (bron: abc.go.com). Op deze manier bekeken was de kern van Leontien van Moorsels anorexia het te goed willen doen wat van haar verwacht werd en wat zij van zichzelf eiste.
Rosins conclusie is ook van toepassing op burnout. Veertig procent van de vrouwen met burnout noemde perfectionisme als karaktertrek die, achteraf gezien, bij had gedragen aan het opbranden (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). Deze eigenschap staat op nummer 1 van de top 25. In aanvulling daarop noemde nog eens 8% van de vrouwen expliciet de karaktertrek ‘alles goed willen doen’. Bij de mannelijke burnout-slachtoffers staat perfectionisme ook op nummer 1, maar met ‘slechts’ 34%. ‘Alles goed willen doen’ werd door geen enkele man letterlijk genoemd. De vrouwelijke vorm van perfectionisme verklaart wellicht mede dat bij tienermeisjes of vrouwen tussen de twintig en dertig jaar anorexia respectievelijk burnout veel vaker voorkomen dan bij jongens of mannen van dezelfde leeftijd. Volwassen vrouwen laten in deze levensfase hun perfectionisme los op een studie of een baan.
De karakterovereenkomsten zijn niet beperkt tot perfectionisme. Volgens drs. De Vos-van der Hoeven ontstaat anorexia meestal bij ‘meisjes die intelligent zijn, een hoge prestatiedrang hebben, perfectionistisch zijn [...] Het zijn vaak meisjes die erg gesloten zijn en weinig sociale contacten hebben buiten de familie.’ (www.opvoedadvies.nl). Kathryn Pridgen merkte na een literatuurstudie op, dat anorexiapatiënten ook vaak een grote behoefte aan controle, een laag gevoel van eigenwaarde, een neiging tot introversie en depressie hebben. De meeste van bovengenoemde karaktertrekken komen ook voor in de top 25 van burnout-karaktertrekken.

 
Terug naar onderwerpen



  Geen tijd voor burnout, afl. 2. jeugd, predispositie, stotteren, faalangst, Pfeiffer

Diverse respondenten van de Enquête burnin.nl 2003 schreven in de toelichting dat hun burnout hen de gelegenheid had gegeven om onverwerkt verleden eindelijk een plek te geven. Een van hen, Peter, raakte burnout op zijn 51e. Hij is lid van de online e-mailgroepen van de burnin-website en herkent steeds opnieuw dezelfde oorzaak van burnout bij mensen in deze groep: ‘Ik ben ervan overtuigd dat burnout maar gedeeltelijk met werk en werkdruk te maken heeft. Ik denk dat burnout ontstaat bij mensen bij wie onderhuids herinneringen of trauma’s uit hun jeugd zitten te wrikken. Onverwerkte gebeurtenissen die gedurende vele jaren een aanslag op je energie plegen. Door bepaalde werkomstandigheden ga je dan uiteindelijk onderuit.’
De ene gebeurtenis blijft beter hangen dan de andere. Er gebeuren in je jeugdjaren ontelbare dingen die geen enkele blijvende invloed hebben, maar sommige doen dat wel. Vernederingen en krenkingen worden het beste onthouden. Douwe Draaisma, docent psychologie aan de Rijksuniversiteit te Groningen, heeft diepgaand onderzoek verricht naar de werking van het autobiografische geheugen en geeft een goed voorbeeld in zijn bekroonde boek Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt (2001, p. 54). Hij herinnert zich nog goed hoe hij als veertienjarige dammer als zwakste speler werd ‘opgeofferd’. Tegen de dertienjarige Harm Wiersma, de latere wereldkampioen, wilde de trainer zijn sterkste speler niet verspillen. Draaisma: ‘Ik kreeg een rood hoofd, knikte dat ik het begreep en ging achter het eerste bord zitten. Waarom hebben we zo’n krankzinnig goed geheugen voor vernederingen?’ Hij concludeert in zijn boek: ‘Krenkingen worden bijgeschreven met onuitwisbare inkt. Ze verjaren nooit. Bij het ouder worden reizen ze mee in de tijd, zodat er nooit meer dan een etmaal lijkt te liggen tussen de gebeurtenissen en de herinnering.’

Predispositie
Een 44-jarige vrouwelijke respondent schreef mij: ‘Het zou goed zijn wanneer er meer voorlichting kwam over predispositie. Met mijn achtergrond en karakter was het gewoon een kwestie van tijd. Ik heb verschillende signalen afgegeven toen ik 15-20 was, het is niet onderkend.’ Ze was overspannen geweest op haar zeventiende en overwerkt op haar negentiende. Op haar veertigste raakte ze uiteindelijk burnout. De Canadese psychologe Peggy Claude-Pierre beschrijft in haar boek De geheime taal van eetstoornissen (1997) een bepaalde predispositie, die volgens mij ook een rol speelt in sommige burnout-gevallen.
Claude-Pierre’s twee dochters kregen na elkaar anorexia. Zij vertelt in haar boek hoe zij haar eigen kinderen heeft genezen – met de moed der wanhoop – nadat zij waren opgegeven door de medici. Na hun herstel richtte zij in 1988 een eigen kliniek op, gespecialiseerd in de behandeling van ernstig zieke anorexiapatiënten. In 1997 had haar Montreux Clinic honderden mensen met eetstoornissen met succes behandeld, in bijna alle leeftijdscategorieën van 3 tot 64 jaar. Zij is tot de overtuiging gekomen dat de eetstoornis het symptoom is, maar dat hypernegativiteit de echte wortel is (zij noemt het CNC: Confirmed Negativity Condition). Tot de overige manifestaties kunnen volgens Claude-Pierre depressies, paniekaanvallen en agorafobie behoren (p. 52).
CNC is een verzamelnaam voor bepaalde karaktertrekken. Kinderen met deze ‘aanleg’ zijn zich scherp bewust van de behoeften van alles en iedereen, en zien zichzelf op de een of andere manier als herders die over de menselijke kudde moeten waken. ‘Deze kinderen zijn zorgzaam voor hun naaste familie en de rest van het universum.’ Volgens Claude-Pierre lijkt het alsof de geest van zo’n kind zichzelf wegcijfert om de omstandigheden in het leven vanuit een ander perspectief te kunnen gadeslaan en te bestuderen. ‘Zij zijn de volmaakte leerlingen, sportbeoefenaren, kunstenaars en musici.’ Claude-Pierre legt vanuit haar ervaringen met anorexia de link met perfectionisme. ‘Naarmate deze kinderen worstelen om een volmaakte wereld te creëren, worden ze er steeds behendiger in om hun eigen zelf plaatsvervangend te vervolmaken.’
De karaktereigenschappen die Claude-Pierre heeft vastgesteld bij mensen met de predispositie hypernegativiteit, staan zeer hoog op de top 25 van karaktertrekken die volgens ervaringsdeskundigen een bijdrage hebben geleverd aan hun burnout. Voorbeelden zijn: perfectionistisch (nr. 1), verantwoordelijkheidsgevoel (nr. 2), behulpzaam (nr. 4). Deze eigenschappen zijn in het Enneagram het sterkst vertegenwoordigd in de Enneatypes Een (de Perfectionist) en Twee (de Helper), de types waarin respectievelijk circa 55% en 45% van de respondenten met burnout zich herkennen. Daarnaast zijn er in de beschrijving van Claude-Pierre trekken te herkennen van andere types, in verschillende combinaties: de zichzelf wegcijferende Negen (de Vredestichter), de observerende Vijf (de Waarnemer), de zich zorgen makende, plichtsgetrouwe Zes (de Loyalist) en de naar succes strevende Drie (de Winnaar). Deze Enneatypes, met uitzondering van de laatstgenoemde, worden eveneens door relatief veel mensen met burnout in zichzelf herkend (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper).

Stotteren, faalangst
Stotteren lijkt met name bij de mannen een risicofactor te zijn met betrekking tot burnout. 6% van de mannen en 1% van de vrouwen met burnout hadden of hebben last van stotteren (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). Het percentage van de Nederlandse bevolking dat stottert is slechts 1%.
Jongens hebben twee tot vier keer zo vaak last van stotteren als meisjes; na de puberteit wordt dit verhoudingsgetal nog hoger. Stotteren is een stressverhogend aspect waarvan iemand zich constant bewust is en dat onzekerheid voedt. Bovendien komt het niet in elke situatie voor. Situaties waarin iemand zich minder vertrouwd of op zijn gemak voelt, vormen voor de stotteraar een duidelijke aanleiding tot stotteren en worden liever vermeden. Joop van den Ende stotterde tot zijn twaalfde, toen hij lid werd van een toneelvereniging. Op zijn veertiende zat hij twee keer per week in de schouwburg. ‘Ik vervreemdde van het ouderlijk huis. Misschien had ik daarover een schuldgevoel, want van het geld dat ik verdiende met bijbaantjes, was ik altijd aan het geven. Ik spaarde bijvoorbeeld een servies voor mijn moeder bij elkaar.’ (PM) ‘Ik had zoiets van “ik moet een artiest worden”, “ik moet in de theaterwereld terechtkomen”.
Van den Ende had een lichte vorm van dyslexie. ‘Ik heb dat heel lang geheim gehouden.’ Hij kon wel lezen en schrijven, maar had moeite met het geschreven woord. Nog steeds is hij bang dat hij dingen verkeerd schrijft. ‘Ik blokkeer.’ Zo heeft hij in zijn leven altijd ‘alles, alles dubbel’ moeten doen. Zijn woordblindheid en beperkte opleiding dwongen hem een selfmade man te worden. Hij moest alles zelf in de praktijk leren. ‘Hoe je moet ondernemen, een administratie bijhouden, of zelfs een brief schrijven. Dat heeft mij, denk ik, erg onzeker gemaakt.’ (V) Dyslexie op zichzelf is geen directe burnout-risicofactor, zo blijkt uit de Enquête burnin.nl 2003. 5% van de mannen en 5% van de vrouwen met burnout is dyslectisch. Dit is exact gelijk aan het percentage voor alle Nederlanders. Maar de faalangst die er bij sommigen het gevolg van is, is wel degelijk een risicofactor.


Bij meisjes komt faalangst ongeveer twee keer zoveel voor als bij jongens, volgens de Belgische ontwikkelingspsycholoog Eric Depreeuw (Klasse voor Leerkrachten, april 1997 en oktober 1998). Bij vrouwen met burnout piekt het percentage faalangstigen al in de fase 21-30 jaar (het tweede bedrijf), terwijl dit percentage bij mannen pas piekt in de fase 31-40 jaar (het derde bedrijf). Deze percentages pieken zo’n tien tot twintig jaar eerder dan het totaal aantal burnouts zelf (piekperiode is 41-45 bij vrouwen en 46-50 bij mannen). Mensen met faalangst hebben kennelijk niet alleen een hoger risico op burnout, maar als ze opbranden doen ze dit gemiddeld tien tot twintig jaar eerder dan mensen zonder faalangst.

Pfeiffer
Een 34-jarige mannelijke respondent vroeg: ‘Wat is de relatie tussen de ziekte van Pfeiffer en burnout?’ Het percentage mensen met burnout dat in een eerder stadium de ziekte van Pfeiffer heeft gehad toen zij tussen de 7 en 23 jaar oud waren, is in mijn ogen opvallend hoog: 20-25%. Dit geldt vooral bij mensen die in de leeftijdscategorieën 21-30 jaar en 31-40 jaar burnout kregen. Dit strookt niet met de algemene opvatting dat mensen vrijwel nooit opnieuw last krijgen van de klachten die bij Pfeiffer passen. Is in sommige gevallen achteraf wellicht sprake geweest van een overspannenheid tijdens de jeugdjaren? En is deze overspannenheid in zo’n geval abusievelijk aangezien voor Pfeiffer, simpelweg omdat de persoon het Barr-Epsteinvirus droeg – net als de meeste mensen op die leeftijd? Het is een vraag die bij mij opkwam toen ik de resultaten van mijn enquête bestudeerde. Deze vraag kan ik helaas niet beantwoorden, maar de ziekte van Pfeiffer is volgens mij wel een risicofactor voor een toekomstige burnout.
De ziekte van Pfeiffer staat bekend als een infectieziekte, veroorzaakt door het Barr-Epsteinvirus. Dat zit in het speeksel en veroorzaakt een keelontsteking. Hoe het virus wordt overgedragen is niet precies bekend. Veel mensen dragen het virus zonder er ziek van te worden. Medicijnen tegen deze ziekte bestaan niet. Op het eerste gezicht zou je zeggen dat de ziekte niets te maken heeft met burnout. Toch zijn er opvallende overeenkomsten. Zowel bij Pfeiffer als bij burnout is de meest voorkomende klacht vermoeidheid. Daarnaast kan men last krijgen van hoofdpijn, misselijkheid, transpireren en hoesten. Ook allemaal klachten die op de top 50 van burnout-signalen staan. Een andere overeenkomst is dat aan de ziekte van Pfeiffer vaak een vermoeiende, stressvolle of inspannende tijd voorafgaat.
De meeste mensen worden als kind besmet, meestal zonder symptomen. Maar als je het tijdens de puberteit krijgt, kan je behoorlijk ziek zijn. Na het nemen van een aantal weken rust volgt herstel na ongeveer vijf of zes weken. Maar bij verschillende latere burnout-slachtoffers duurde hun herstel van de ziekte van Pfeiffer langer dan tien weken. Het lijkt erop dat een periode van stress het lichaam kwetsbaar maakt voor een virale infectie, zoals Pfeiffer, griep of verkoudheid. Dat wordt vervolgens het symptoom of de aanleiding voor het ziek worden. De periode van rust doet vervolgens de stress verdwijnen en geeft het lichaam zijn kracht terug, zodat het van de ziekte kan genezen.



Katja Schuurman
Katja, geboren in 1975 als dochter van een Nederlandse vader en een moeder met Nederlands-Antilliaans-Surinaams-Chinees bloed, groeide op in Bunnik, ‘een vrij kansloos dorp’ zonder dorpskern: ‘sfeer nul komma nul, truttigheid troef’ (Vrij Nederland, 24 mei 2003). Haar achternaam vond ze ‘voor geen meter klinken’ – slechts met grote tegenzin schreef ze haar achternaam op bij het eindexamen (Nieuwe Revu, 14 mei 2003). Het was een warm gezin, ze is dol op haar ouders. Maar haar vader had pedagogiek gestudeerd en geleerd dat je je kinderen altijd iets meer grenzen moest stellen. ‘Het moest allemaal heel erg zoals het hoorde en daar werd ik wel gek van.’ Als een feest om twaalf uur afliep, dan werd ze om halftwaalf opgehaald. ‘Daardoor ben ik wel de grenzeloze geworden.’ (VN). Tot haar zeventiende noemt Katja zichzelf braaf. Toen was het gedaan met de rust.
Vanaf haar achttiende zocht ze de grenzen op in haar leven – om ze vervolgens te overschrijden. Op de middelbare school zocht ze steeds vaker extremen op. ‘Als ik een belangrijk proefwerk had ging ik expres heel laat uit. Kijken of ik het dan toch nog haalde. Vaak ging het dan nog beter ook.’ ‘Ik had het op school wel gezien en bleef daardoor zitten. Ik zocht een nieuwe uitdaging: zingen en dansen vond ik leuk.’ Ze ging op haar negentiende het huis uit, kreeg ‘bij gebrek aan een andere ambitie’ (Televizier, 12 april 2003) de rol van Jessica in de televisiesoap Goede Tijden Slechte Tijden en werd een groot succes. Ze nam een aantal liedjes op als lid van het trio Linda, Roos & Jessica en ook dat werd een enorm succes. Geld, seks, drank, drugs en auto-ongelukken, Katja maakte het allemaal mee. ‘Alles waar een vast patroon in zit kan ik niet handelen. Het lijkt soms wel of ik een zwaar ADHD-kind ben.’ (VN). In het begin verloor ze zich in hoe ze dacht dat ze moest zijn, herinnert ze zich. Ze was jong en onzeker en kon niet vaak genoeg horen dat mensen haar leuk vonden. ‘Daarna kom je erachter dat het oppervlakkig is, dan wordt het treurig.’ (Nieuwe Revu). De gevolgen bleven niet uit.
‘Ik luister slecht naar mijzelf. Niet naar mijn lichaam en niet naar wat ik wil.’ Ze woonde inmiddels in een kast van een huis in Vinkeveen, terwijl ze op haar achttiende nog had gedacht dat ze niet zou settelen voor haar dertigste. ‘De eerste nachten in dat huis heb ik wel zitten janken. Wat doe ik hier?’ In Vinkeveen werd ze helemaal hysterisch. Bovendien werkte ze zo hard dat ze depressief werd. ‘Zelfs een sociale afspraak werd uiteindelijk te veel. Ik deed niets meer met plezier. Dagen van achttien uur worden dan echt loodzwaar.’
Tegen het einde van de periode Linda, Roos & Jessica, op haar 22e, hield ze aan een ongeluk een zware hersenschudding over. ‘Ik ben in die tijd zelfs op mijn kruk in slaap gevallen met vijfduizend man publiek in de zaal. De hele werkelijkheid drong niet meer tot me door. Ik was mens af en alleen nog maar fenomeen.’ (VN) Op haar 22e zat ze helemaal vast. Ze werkte alleen maar. Las geen krant, zag geen journaal. ‘Alsof ik van Mars kwam. Ik was oppervlakkig geworden.’ De populariteit was beangstigend geworden. Ze werd cynisch van de taferelen die ze meemaakte. Ze kwam om twaalf uur thuis van haar werk en dacht: ‘is dit het nu?’ Overwerkt, overspannen? ‘Als ik erin vast was blijven zitten, had ik zeker spijt gehad.’ Nu ziet ze het als een fase. (VN)

 
Terug naar onderwerpen



  Geen tijd voor burnout, afl. 1. introductie, levensfasen en karakter

In mijn persoonlijke visie is een burnout de dramatische afsluiting van een levensfase, gekenmerkt door een jarenlang volgehouden levensstrategie in een voor die persoon steeds ongezondere situatie. De burnout kan in gang gezet worden door een enkele gebeurtenis of een samenloop van omstandigheden. Door zijn ingrijpende aard vormt een burnout tevens de start van een nieuwe levensfase, waarin herstel van lichaam en geest prioriteit hebben maar waarin ook persoonlijke groei gerealiseerd kan worden.
Bij een burnout grijpt het lichaam in. De computer loopt vast en schakelt zichzelf uit. Het is een levensverlengende ingreep, die de persoon een tweede kans geeft – vergelijkbaar met een niet-fatale hartaanval. Elke burnout is in mijn optiek per definitie een persoonlijk verhaal, met karakter en levensfasen als belangrijke ingrediënten. De bouwstenen van elk verhaal zijn herkenbaar, maar de combinaties verschillen van persoon tot persoon. In deze introductie licht ik mijn visie toe, in het bijzonder de vaak onderbelichte aspecten levensfase en karakter.
Je kunt op elke leeftijd opbranden, maar bepaalde leeftijden vormen een verhoogd risico. Het risico om op te branden is voor vrouwen hoger dan voor mannen. Een vrouw die opbrandt, doet dit gemiddeld op haar 39e, vier jaar eerder dan de gemiddelde man. De leeftijd met het hoogste aantal burnouts is 43 jaar bij de vrouwen, 50 jaar bij de mannen. Annegreet van Bergen brandde op toen zij 42 was en schreef er een boek over: ‘Als een waterscheiding loopt de periode van mijn burnout door mijn leven.’ (p. 236). Tegen deze achtergrond is opbranden op je 28e niet hetzelfde als een burnout op je 43e of 58e, ook al zijn alle fysieke en mentale gezondheidsklachten misschien identiek. Een burnout in het heden kan dus niet losgezien worden van het verleden en de toekomst.

Waterscheiding
Ik zie elke levensfase als een S-curve. Na een startperiode volgt een periode van sterke groei, die na enige tijd afvlakt en zal dalen als er niet een geheel nieuwe S-curve omhoog wordt ingezet. De overgang naar die volgende curve kan enige jaren duren en forse schommelingen met zich meebrengen. Soms kan zo’n overgang zelfs een crisis betekenen of een periode van langdurige stress. Een burnout maakt een einde aan de ene levensfase en betekent het begin van een nieuwe – dat maakt het een waterscheiding. Het ene bedrijf wordt afgesloten, het volgende bedrijf kan beginnen. Een burnout moet je daarom in de tijd plaatsen.

I. AANLOOP
In het Eerste Bedrijf, dat ongeveer twintig jaren beslaat, wordt de basis gelegd voor je karakter, door genen, opvoeding, gezinssituatie, omgang met leeftijdsgenoten en door gebeurtenissen die indruk maken. De relatie tussen ouder en kind wordt in deze eerste levensfase verankerd. Het zijn de jaren waarin jeugdherinneringen zich vastzetten en jeugddromen zich vormen. Het tijdsbeeld van je jeugd draag je per definitie de rest van je leven mee. Rolmodellen worden gekozen. Het eerste bedrijf wordt afgesloten als het kind op eigen benen gaat staan, wat nog niet wil zeggen dat hij loskomt van zijn ouders. De eerste, sporadische burnout-gevallen doen zich voor rond de twintig jaar. Het thema dat ik in dit bedrijf centraal stel, is ‘jeugdherinneringen’.

II. ZOEKEN EN PROBEREN
Het Tweede Bedrijf beslaat de jaren waarin je je eerste werkervaring opdoet, al dan niet na een studie. Je probeert verschillende talenten uit, maar stom toeval speelt ook een rol. De blik is naar voren en omhoog gericht. Leermeesters en mentoren nemen de rol over van de ouders. Relaties worden uitgeprobeerd, huwelijken gestart en soms al na een paar jaar beëindigd. Sommigen beginnen snel aan kinderen, anderen schuiven dit voor zich uit. Op fysiek gebied bereikt de jonge volwassene zijn top, maar op mentaal gebied nog lang niet. Deze fase eindigt bij de een al rond 28-jarige leeftijd, bij de ander pas rond de 32. Een aantal mensen ervaart in deze fase een vorm van overspanning, die hen met hun grenzen confronteert – meestal voor het eerst. Je kijkt terug op je leven tot dan toe, vergelijkt je eigen prestaties en status met je idealen en verwachtingen uit je jeugd. De eerste golf burnouts neemt toe bij het naderen van de dertig, vooral bij vrouwen. Mannen ervaren in deze leeftijdsfase meestal een mildere vorm, zoals overspannen of overwerkt zijn (de grafiek beperkt zich tot burnout). Thema: hoger, beter, burnout.



III. DEFINITIEF SPOOR
In het Derde Bedrijf raken mensen ‘gesetteld’. En zij raken steeds meer verslaafd aan hun gedrag, hun levensstijl en eventueel aan hun maatschappelijk succes. Naarmate deze levensfase vordert, beseffen steeds meer mensen dat het einde nadert van de eerste levenshelft. Je wordt geconfronteerd met keuzes die je eerder in je leven hebt gemaakt. Sommige zaken, op het werk of privé, beginnen onderhuids te kriebelen. Lichamelijk is de teruggang begonnen, maar nog niet in alle hevigheid. De veroudering begint wel in toenemende mate zichtbaar te worden. Sommigen ervaren in deze fase al het plafond van hun loopbaan of krijgen deze in zicht. Het kan het zicht ontnemen op de volgende fase, die in psychisch opzicht juist een nieuwe ontwikkeling kan betekenen. Een tweede golf van burnout-gevallen zwelt aan naarmate de veertig dichterbij komt. Ditmaal doen de mannen helemaal mee, vooral bij het bereiken van de veertig zelf. Thema: verslaving.

IV. HOOGTEPUNT
Het Vierde Bedrijf begint rond de veertig jaar. De een ervaart het als ‘ik ben nu op de helft’ (lees: oud), de ander stelt dat gevoel nog even uit, bijvoorbeeld tot 45 (mannen hebben bij burnout een grotere ‘voorkeur’ voor ronde getallen dan vrouwen). Qua loopbaan beleven veel veertigers de meest productieve periode. Opgebouwde positie, verworven vaardigheden en levenservaring versterken elkaar optimaal. Maar uitbundige energie en depressie kunnen elkaar herhaaldelijk afwisselen. Voor vrouwen heeft deze fase een andere betekenis dan voor mannen. Zij die nog geen moeder zijn, maar het wel willen worden, doen een laatste poging of leggen zich erbij neer dat ze kinderloos blijven. Op privé-gebied komen vooral vrouwen met kinderen in een ‘sandwich’ terecht, tussen pubers aan de ene kant en bejaarde ouders aan de andere kant. Bovendien ervaren vrouwen de eerste verschijnselen van hun menopauze, naarmate zij de vijftig naderen. Vrouwen die zich zonder kinderen bewust op hun loopbaan hebben geconcentreerd, ervaren wat veel mannen van dezelfde leeftijd ervaren: elke carrière heeft een plafond. Het aantal burnouts bereikt bij de vrouwen in de leeftijdscategorie 40-44 jaar een hoogtepunt. Thema: midlife.

V. BALANS OPMAKEN
Vijftig is als leeftijd net zo beladen als veertig, vooral voor mannen. Maar het perspectief is in tien jaar tijd veranderd. Aangeland in het Vijfde Bedrijf lopen de levenspaden van mensen sterk uiteen. De geslaagde vijftiger geniet van de status die in de afgelopen decennia is opgebouwd. De vraag of die status ooit verloren zal gaan lijkt voorlopig niet aan de orde – hij wordt in elk geval bekwaam ontweken. Een ander is juist teleurgesteld in het leven. Het is allemaal niet gelukt, hij sleept zich naar het pensioen en wat daarna nog allemaal moet volgen. Geen van deze twee mensen is écht representatief voor de gemiddelde vijftiger die deze fase als een mengeling van plussen en minnen ervaart. Het einde van een lange loopbaan en van de gezinsverplichtingen komt in zicht en daarmee het begin van een geheel nieuwe fase met meer vrije tijd (en minder geld). De jeugd weet het beter en staat te dringen om het over te nemen. Fysieke neergang en geestelijke groei vormen een verwarrende mix. Veel mannen ervaren in deze jaren hun penopauze. Bij de mannen bereikt het aantal burnouts zijn maximum in de periode 50-54 jaar. Thema: penopauze.

VI. TWEEDE HOOGTEPUNT OF AFBOUWEN
Rond de zestig kan men bij een belangrijke tweesprong aanlanden: leg ik mij neer bij het ouder worden en ga ik het rustig aan doen of ga ik er nog één keer helemaal voor en haal ik eruit wat er nog in zit. Beide zijn goed. Maar de tijd dringt als men het laatste kiest. Een tweede hoogtepunt in het Zesde Bedrijf is zeker mogelijk, maar betekent een mentale uitdaging van enige omvang. Logisch is het namelijk niet in de ogen van de maatschappij en van het bedrijfsleven, en de gezondheid moet het toelaten. Men is al te vaak geneigd vijfenvijftigplussers af te schrijven, waardoor een tweede hoogtepunt naast veel inspanning vaak ook een radicale wending vergt. In deze leeftijdscategorie speelt burnout een veel kleinere rol dan in eerdere levensfasen. Andere gezondheidsklachten eisen de aandacht op. Thema: bevrijding.

VII. VERLENGING
Over het fenomeen burnout voorbij de leeftijdsgrens van vijfenzestig jaar zijn mij geen burnout-statistieken bekend – laat staan voorbij de zeventig. De reden is waarschijnlijk dat men burnout voornamelijk definieert als werkgerelateerd, waardoor onderzoekers zich concentreren op de werkende beroepsbevolking tot vijfenzestig jaar. Toch denk ik dat burnout ook voorkomt op hogere leeftijd. Er zijn voldoende mensen tot op hoge leeftijd actief bezig. Waarom zou een actieve tachtiger geen burnout kunnen krijgen en aan een nieuwe fase beginnen? Bernard Lievegoed schreef zijn standaardwerk De levensloop van een mens in 1976. Hij had het vele malen uitgesteld om uiteenlopende redenen, maar het naderende einde van zijn leven had hem uiteindelijk aan het schrijven gezet. ‘Als men zelf de leeftijd van zeventig jaar bereikt heeft, wordt het nù of nooit meer.’ Het schrijven heeft hem kennelijk geholpen zijn zevende bedrijf te verlengen. Lievegoed overleed pas op 86-jarige leeftijd, zestien jaar na het uitkomen van zijn boek. Stress- en vermoeidheidssignalen worden ook door ouderen ervaren, maar de link met burnout wordt nooit gelegd. Vreemd eigenlijk, want de term ‘opbranden’ is eigenlijk op geen enkele levensfase meer van toepassing dan op de allerlaatste. Thema: sterfelijkheid.

Reconstructie van een burnout
Een goede manier om burnout te begrijpen is een persoonlijk verhaal te lezen van iemand die het heeft meegemaakt van A tot Z. Lessen van burnout (2000) van journaliste Annegreet van Bergen en Eclips van predikant Adrian Verbree (2003) zijn goedgeschreven getuigenissen van mensen die zelf zijn opgebrand en opnieuw begonnen. Van Bergens boek bevat bovendien veel aanvullende informatie. Geen tijd voor burnout heeft ook als rode draad het burnout-verhaal van één persoon, maar het is geen getuigenis. Het is een reconstructie, van A tot Z, van de burnout die Joop van den Ende heeft beleefd. A is zijn vroegste jeugd. Hij was burnout toen hij 58 werd, in februari 2000. In oktober 1999 was al bekendgemaakt dat hij ziek was, overwerkt. De lange aanloop naar zijn burnout biedt verrassend veel aanknopingspunten voor zowel mannen als vrouwen om inzicht te verkrijgen in het fenomeen opbranden. Van den Endes herstel is een bron van inspiratie voor menig burnout-slachtoffer. Z is het nieuwe hoogtepunt dat hij momenteel beleeft.
De levensloop van Joop van den Ende (geboortedatum 23 februari 1942) beslaat inmiddels al zes bedrijven. Zijn weg naar burnout wordt verteld in de eerste vijf bedrijven van dit boek. De puzzelstukjes van zijn verhaal, afkomstig uit dertien gepubliceerde interviews uit een periode van vijftien jaar (zie het overzicht) heb ik gereconstrueerd tot één chronologisch verhaal, uitvoerig geïllustreerd met zijn eigen uitspraken uit die interviews. De gebeurtenissen en zijn uitspraken interpreteer ik aan de hand van achtergrondmateriaal uit diverse vakgebieden en eigen inzichten. Joops burnout vormt de waterscheiding tussen zijn vijfde en zijn zesde bedrijf. Interviews daterend ná zijn burnout vormen daardoor een prachtige aanvulling op de vragen en dilemma’s die hij in interviews vóór zijn burnout onder woorden heeft gebracht.

Karakter
Vijfennegentig procent van de mensen die een burnout hebben gehad, zegt dat hun karakter een bijdrage heeft gegeven aan het opbranden (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). Bij een aantal was het de voornaamste oorzaak. Maar nergens in de literatuur had ik cijfermatig onderbouwd bewijs aangetroffen of bepaalde karaktereigenschappen of -types meetbaar verband houden met het feitelijke aantal burnouts. Ik vond vrijwel alleen kwalitatieve algemeenheden, wat ik zeer onbevredigend vond. Hoe weet ik of ik zelf een karakter heb dat kwetsbaar is voor een burnout? Ik besloot mijn eigen kennis van het Enneagram los te laten op dit onderwerp. Het Enneagram is een persoonlijkheidstypologie die de afgelopen jaren in Nederland sterk aan populariteit heeft gewonnen.
Elk type kent zijn eigen gevoeligheid voor stress, maar bepaalde types blijken kwetsbaarder voor een burnout dan andere. Eén van deze types is bijvoorbeeld type Een, de Perfectionist. Perfectionisme is in de burnout-literatuur een van de meest genoemde karaktertrekken. Maar bij hoeveel mensen met burnout komt deze eigenschap daadwerkelijk voor? Dat was nooit eerder onderzocht. Geen tijd voor burnout bevat een top 25 van karaktertrekken die volgens ervaringsdeskundigen bijdragen aan burnout.
‘Perfectionisme’, bij de vrouwen met burnout spontaan genoemd door 40% (34% bij de mannen), voert deze top 25 aan. 51 % van de vrouwen en 56 % van de mannen herkende Enneatype Een – bijgenaamd ‘de Perfectionist’ – in zichzelf. Ter vergelijking: type Drie (de Winnaar) werd door slechts 13 % van de vrouwen met burnout (19 % van de mannen) in zichzelf herkend (Enquête burnin.nl 2003, F. Schaper). Deze bevinding bevestigt dus de bestaande literatuur, maar betekent ook dat meer dan de helft van de burnout-slachtoffers geen Perfectionist in zich herkent. Bovendien brandt niet iedere Perfectionist op.
Het gemiddelde burnout-profiel in de verzamelde literatuur is te algemeen en te breed: perfectionistisch, hardwerkend, idealistisch, betrokken, ijverig, toegewijd, serieus, ambitieus, plichtsgetrouw, zelfopofferend, doelgericht, gaat altijd door, heeft moeite met nee-zeggen en met het stellen van grenzen. Mensen hebben vrijwel nooit alle risicokaraktertrekken in zich, noch in dezelfde mate. Bovendien is de ene eigenschap van meer invloed dan de andere. Als u dus voor uzelf wilt inschatten welk risico u loopt, bent u gebaat bij een meer gedetailleerd inzicht.

Ervaringsdeskundigen
Mijn leidraad in Geen tijd voor burnout is het perspectief van de ervaringsdeskundige: ‘Een burnout ontstaat niet zomaar, het komt niet uit de lucht vallen. Bijna altijd is het een proces dat al jaren speelt en waarin je onbewust bezig bent met het opbouwen van spanningen, problemen en ontevredenheid, mijn weg naar burnout. Het proces begint meestal al in de vroege jeugd, ook bij mij is dat het geval geweest.’ Gert Otter heeft na zijn burnout op zijn 42e een onafhankelijke, zeer uitgebreide website opgebouwd, die met circa 800.000 page views sinds 1999 inmiddels de best bezochte Nederlandse website is op dit gebied. Uit zijn beschrijving volgt een essentiële conclusie: een burnout is een persoonlijk verhaal. Mijn weg.
Maar als je op weg bent, weet je nog niet of die naar een burnout leidt. Je brandt op als verschillende factoren elkaar na langere tijd op een kwaad moment zodanig versterken dat een grens is bereikt. De aanleiding van een burnout, de ‘druppel’, is vaak een externe gebeurtenis, variërend van een verkeerde opmerking van een collega tot een reeks overlijdensgevallen kort na elkaar in iemands directe omgeving. Als de grens overschreden is, de emmer is overgelopen, ziet de wereld er ineens zo anders uit dat die nauwelijks te bevatten is voor iemand die het zelf niet heeft meegemaakt. Alsof je van de rand van de aarde bent gevallen. De persoon zelf weet vóór de burnout niet wat hem te wachten staat; erna kent hij zich niet meer terug. Onbegrip is dan ook het lot van de persoon die burnout raakt. De wijsheid komt pas na enige tijd. Achteraf.
De verklaring voor een burnout ligt in een combinatie van persoonsgebonden risicofactoren, situatiegebonden risicofactoren en wat ik noem aanleidingsfactoren:
Persoonsgebonden risicofactoren zijn bijvoorbeeld: sekse, leeftijd, karakter, verslaving, angsten, onverwerkt verleden en eerdere perioden van langdurige stress of overspanning.
Situatiegebonden risicofactoren zijn bijvoorbeeld: baas, collega’s, werkdruk, aard van de functie, aard van de branche en gezinssituatie. Deze factoren liggen deels in de werksfeer, deels in de privé-sfeer. Voor mensen die altijd met hun werk bezig zijn is dit onderscheid lastig te maken; zeker als ook hun directe familie en vriendenkring een nauwe relatie met hun werk hebben.
Aanleidingsfactoren zijn van invloed op het moment dat het proces van opbranden een climax bereikt. Voorbeelden zijn: betekenisvolle herinneringen gekoppeld aan een bepaald moment, de maand van het jaar, het moment van de week, en gebeurtenissen die een stresspiek veroorzaken.
Ruim 600 Nederlandstalige personen vulden in februari-maart 2003 anoniem mijn vragenlijst in op internet. 403 van hen hadden zelf een burnout ervaren of zaten er nog middenin – een uitzonderlijk hoge respons. Het spectrum van beroepen was enorm: van vrachtwagenchauffeur tot verpleegkundige, van administratief medewerker tot directeur, van ICT-consultant tot politicus, van secretaresse tot leraar, van student tot psychiater, van huisvrouw tot sales manager, van personeelsfunctionaris tot advocaat, van boerin tot pastor, van rechercheur tot teamleider, van stewardess tot conductrice, van psycholoog tot financieel analist, van programmeur tot huisarts.

 
Terug naar onderwerpen